vier oogen gezegd en gezwegen, op het halen van den baarlijken
duivel binnen het kerkschip neerkwam…
Aanvankelijk
wierd
Pastoor Poncke
niemendal
van de lispeling
gewaar
. Gelijk
immer brevierde
hij door de stede en groette alle
parochianen
minzaam. Een nanoen
echter zegde hem Katrijne
:
— Eerwaarde, het ligt mij al lang op de lippen, maar ge hebt
scheef
gehandeld met een zelfmoorder in de root te begraven!
— Wat verluidt
gij mij, Katrijne
? Gij zegt zulks?
— Zoo, laat ze betijen
. Maar dat gìj, Katrijne
… ben ik een
man van devooren
of niet? Ja, ik ben het. Zwìjg, Katrijne
. Ge
slaat onverantwoordelijke kalpraat
… Gansch
Damme
…
Ah, maar ik zal ze krijgen! Geen vertrouwen in mij, hun priester,
te stellen, het is een schand… Uit mijne oogen, Katrijne
. Ik
ben kwaad, ik ben gerecht kwaad. Zij zullen het ras
weten!
Principis est virtus maxima nosse suos.1
Met drift, stampend bijkans
, begaf Pastoor Poncke
zich naar de
boekerij
en aldaar hoorde Katrijne
hem nog geruimen tijd overentweer
dreunen.
En den eerstvolgende Zondag beklom Pastoor Poncke
na het
Evangelie van de hoogmis den kansel
en stak er het sermoen
van
zijn leven af:
Beminde Parochianen
!
Ik ben maar een simpel priesterken, een armzalige dienstknecht
des Heeren, ijverend voor uwe zielen en uwe zaligheid volgens
het mij door den Heer-God toegemeten vermogen, en ik ben
slechts een triestig zondaar gelijk
gij allen. Heb ik het Heelal geschapen,
beveel ìk de vaarten der wolken en den zegen der
malsche regens? 'Laas, neen. Ik ben die ik ben: een stofke in het