édellieden en wèlke van boèren. De boer vond geen antwoord.
De edelman zegde hem: — Wat zijt gij, boeren, toch ganzen;
weet gij niet, dat de witte den edelman kenbaar maken en de
zwarte en grove den boer? De boer en de edelman nu, wandelden
verder, verlieten het kerkhof en bereikten de galgplaats, alwaar
eenen menigte van witte knoken
t'hoope geworpen waren. En de
boer zegde, wijzend: — Heer, ge waart in uw recht, thans zie ik
helder
dat dat witte beenderen zuiver den edele luyden gehoorig
zijn…
Beminde Parochianen
, was dat niet loos gesproken van dien
boer? En eender leep
gelijk
hij, hadt gij den duivel 't bosch in dienen
te zenden. Maar ik, uw Pastoor, reken u zelfs meer dan
leep
…
Dwázelingen, gij —, gij zijt wìjs! Ik, Pòncke, zal u dit bè-wijzen.
Columella
zegt bereids
: De landbouw is de naaste gebuur der
wijsbegeerte —, en Varro
voegt eraan toe, dat de grondregels
van den landbouw dezelfde zijn als deze der vier elementen. En
heeft de romeinsche redenaar Cicero
niet verklaard, dat er eene
opmerkelijke overeenkomst bestaat tusschen den boer en den
filosoof? Welnu? En, buitendien
, zijt gij van adel, want het allereerste
adellijk wapen is een ploeg geweest op een ploegbaar veld!
Beminde Parochianen
, ik heb u overstelpt met faam en loog ik
ooit? Daarom keer weêr tot God en uwen priester. Zijt vroom
gelijk
vroeger. Zijt boer, wijs en nobel. Vergeet nimmer: de
helsche vijand beloert u gestaag, zint op subtijl bedrog. Belach
hem, vermits
gij van God zijt. Dàn zult gij in vrede blijven in al
uwe doeningen
. En de Heilige Geest zal tòt u komen, mijne kinderen
in Christo, en u vervùllen en in u héémen en in u hàndelen.
En laat ons den Heer-God inniglijk bidden, opdat gij deze, mijne
leering totterdood in het hart drage. Amen.