bladzijde << 144 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

gaaf wit, behoudens de prenten van vogelpooten en katteklauwen, welke ik op mijn gang hierheen waarnam. Het leven leeft van den dood, Socrates-vriendSocrates. Ware God er niet, ik zoude het leven wreedig noemen. Maar het is nu eenmaal mijn particulier gedacht, mijn Vriend, dat gij-liên onnoozele dieren allen den hemel verwerven zult en zulks vlotter dan een menschelijk schepsel. Ik ga, SocratesSocrates. Het luidt voor den mis.

Pastoor PonckePoncke vertrok.

Na de mis verstreek er nog een geruime tijd aleerwoord hij thuiskwam voor de morgen-atewoord met KatrijneKatrijne. Eindelijk verscheen hij toch.

— Uw eike is hàrd, meldde KatrijneKatrijne hem, — peinstwoord ge, dat ik met eikes tóóveren kan?

KatrijneKatrijne, wat zijt ge kribbig op heden. 't Zal denkelijk door de sneeuw komen. Wat de ééne verblijdt, een ander bijt. Ik ben een eindweegs de kokertrap van den toren ingeklommen — tot aan het tweede luchtgat. Sneeuw, aloveral sneeuw, KatrijneKatrijne —, heel Vlaanderen besneeuwd. Daar moest nu een beetje zon over dinkelenwoord. Dat kòmt nog. Hoe alles zich opmèrkelijk afteekent tegen de sneeuw: tronken, twijgen, afrasteringen, kraaien. Ik kon er mij niet zat genoeg aan zien. En verláten, KatrijneKatrijne…! Geen kind, geen ziel. Vlaanderen is heel en al bedekt lijkwoord met een smetteloos ammelakenwoord — alhoewel, uw dischwoord is mij liever en gerieflijker, Katrijne-dochterKatrijne — doch nooit zóó schoonwoord, in het bediedwoord, welke kunstenaars aan dit woord koppelen, verstaat ge? Ik repwoord niet van properiteitwoord. Uw properiteitwoord is boven alles verheven en zij is een uwer kostelijkste verdiensten. Het eike valt mee, geloof mij. Ik wilde brevierenwoord, maar het is toch te kil. Ik ga mijnen tijd met studie besteden. Een mensch kan zich niet genoeg met wetenschap verrijken — mits die mensch zichzelf is. Want wetenschap, Katrijne-dochterKatrijne, vergaart men niet zonder gevaren…

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl