Een luttel
naderhand zat Pastoor Poncke
in de boekerij
over
Flavius Josephus
gebogen. Omtrent de elfde stonde
bracht
Katrijne
hem zijn wijn. Zij vond hem met de handen op den rug
voor het venster staan en hij had zich niet bewogen bij haar
binnenkomst. Zij plaatste bottel
en glas naast den Flavius
.
Pastoor Poncke
verroerde geen lid, tuurde star naar buiten, in
den vlokkenval. Want het was begonnen te sneeuwen.
— Katrijne
, kom nevens
mij voor het venster!…, fluisterde
Pastoor Poncke
bijkans
, en tevens volhardend in zijne strakke
houding.
— Wàtte?, vraagde Katrijne
in onbegrip.
Nu wendde Pastoor Poncke
het aangezicht een luttel
zijlings in
Katrijne
heure
richting en uitte
op vreemden, op gepakten toon:
— …Het sneeuwt naarbòven!
— Eh…?
— Héé, ontviel het Pastoor Poncke
nu, — het is voorbij…
Maar ik durf het u be-eedigen, Katrijne-dochter
, dat het daarseffens
naarbòven sneeuwde! Kom hier en zie toe. Mogelijk geschiedt
het subiet weêr.
Katrijne
voegde heur
bij hem, schouwde
toe op de sneeuwing.
Uit een windstille lucht dwerelde
de sneeuw dicht en in groote
vlokken neerwaarts.
— Ziet ge niets?, polste Poncke
zijne maarte
.
— Niemendal
.
— Sneeuwt het naar boven of naar beneden?
— Gij spreekt zoo zonderling, Eerwaarde… Hoe zou de sneeuw anders vallen dan naar omneêr?
— Katrijne
, ik zwéér u…!, herhaalde Pastoor Poncke
.
— Sneeuwt het voor u dan naar bòven?