bladzijde << 145 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Een luttelwoord naderhand zat Pastoor PonckePoncke in de boekerijwoord over Flavius Josephuswiki gebogen. Omtrent de elfde stondewoord bracht KatrijneKatrijne hem zijn wijn. Zij vond hem met de handen op den rug voor het venster staan en hij had zich niet bewogen bij haar binnenkomst. Zij plaatste bottelwoord en glas naast den Flaviuswiki. Pastoor PonckePoncke verroerde geen lid, tuurde star naar buiten, in den vlokkenval. Want het was begonnen te sneeuwen.

KatrijneKatrijne, kom nevenswoord mij voor het venster!…, fluisterde Pastoor PonckePoncke bijkanswoord, en tevens volhardend in zijne strakke houding.

— Wàtte?, vraagde KatrijneKatrijne in onbegrip.

Nu wendde Pastoor PonckePoncke het aangezicht een luttelwoord zijlings in KatrijneKatrijne heurewoord richting en uittewoord op vreemden, op gepakten toon:

— …Het sneeuwt naarbòven!

— Eh…?

— Héé, ontviel het Pastoor PonckePoncke nu, — het is voorbij… Maar ik durf het u be-eedigen, Katrijne-dochterKatrijne, dat het daarseffens naarbòven sneeuwde! Kom hier en zie toe. Mogelijk geschiedt het subiet weêr.

KatrijneKatrijne voegde heurwoord bij hem, schouwdewoord toe op de sneeuwing. Uit een windstille lucht dwereldewoord de sneeuw dicht en in groote vlokken neerwaarts.

— Ziet ge niets?, polste PonckePoncke zijne maartewoord.

Niemendalwoord.

— Sneeuwt het naar boven of naar beneden?

— Gij spreekt zoo zonderling, Eerwaarde… Hoe zou de sneeuw anders vallen dan naar omneêr?

KatrijneKatrijne, ik zwéér u…!, herhaalde Pastoor PonckePoncke.

— Sneeuwt het voor u dan naar bòven?

145
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl