bladzijde << 146 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— Ha-neen. Doch toen gij binnenkwaamt, gebeurde het toch alzoo, KatrijneKatrijne. Wònderbaar, zeg ik…

Hij zweeg een kleine poozewoord, hernam toen:

— Dat gij de pracht van de sneeuw niet bemerkt… Acht eens op den stal van SocratesSocrates en op onze vimme winterhout. Pluis voor pluis vlijt zich er neder… Een schilderij pal uit Gods hand! Ik drink het in met de oogen… En be-let, bidde ik u, Onze-Lieve-Vrouwe! De vlokken verwazen haar eenigermate. Zie de sneeuw op de ommegang-boorden in de galmpoorten! Katrìjne toch!

Pastoor PonckePoncke hoofdschudde, zweeg weder, zegde na een breedewoord spannewoord:

— Merkt gij nòg steeds niets?

— Geen zier, Eerwaarde.

— Ik zoo min als gij, 'laas. Efkens verleênwoord evenwel… Het zal zijn, dat ik, krachtens mijn priesterschap, een man ben van het begenadigd moment… Ik bepeinsdewoord het, alswoord het daarnet omhoog sneeuwde, hoe alle ding God zoekt… Thans zoekt de sneeuw helderwoord zichtbaar de aarde… Het zal met de sneeuw zijn, gelijkwoord met de menschen, die eeuwig weifelen tusschen aarde en God, en eens zùs, dan eens zóó… De sneeuw nochtans, KatrijneKatrijne, is, dunkt mij, eenvoudiger van geestelijke geaardheid en bijaldienwoord enger bij God. Kan men met den mensch Gods heilige Drie-Eenheid bewijzen? Neen. Maar wèl met de sneeuw, mijn dochter. Geheugtwoord ge u den catechismuswoord? God bestaat uit Eén Persoon en tegelijkertijd uit…? KatrijneKatrijne, verklaar mij eens?, vorderde Pastoor PonckePoncke.

De maartewoord rimpelde haar voorhoofd.

— Uit… uit…, dacht ze luid-op na, — drìe Personen.

Prontwoord, knikte Pastoor PonckePoncke welgevallig. — En uit wèlke Personen, KatrijneKatrijne?

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl