— Ha-neen. Doch toen gij binnenkwaamt, gebeurde het toch
alzoo, Katrijne
. Wònderbaar, zeg ik…
Hij zweeg een kleine pooze
, hernam toen:
— Dat gij de pracht van de sneeuw niet bemerkt… Acht
eens op den stal van Socrates
en op onze vimme winterhout.
Pluis voor pluis vlijt zich er neder… Een schilderij pal uit
Gods hand! Ik drink het in met de oogen… En be-let,
bidde ik u, Onze-Lieve-Vrouwe! De vlokken verwazen haar
eenigermate. Zie de sneeuw op de ommegang-boorden in de
galmpoorten! Katrìjne toch!
Pastoor Poncke
hoofdschudde, zweeg weder, zegde na een
breede
spanne
:
— Merkt gij nòg steeds niets?
— Geen zier, Eerwaarde.
— Ik zoo min als gij, 'laas. Efkens verleên
evenwel… Het zal
zijn, dat ik, krachtens mijn priesterschap, een man ben van het
begenadigd moment… Ik bepeinsde
het, als
het daarnet omhoog
sneeuwde, hoe alle ding God zoekt… Thans zoekt de
sneeuw helder
zichtbaar de aarde… Het zal met de sneeuw
zijn, gelijk
met de menschen, die eeuwig weifelen tusschen aarde
en God, en eens zùs, dan eens zóó… De sneeuw nochtans,
Katrijne
, is, dunkt mij, eenvoudiger van geestelijke geaardheid
en bijaldien
enger bij God. Kan men met den mensch Gods heilige
Drie-Eenheid bewijzen? Neen. Maar wèl met de sneeuw, mijn
dochter. Geheugt
ge u den catechismus
? God bestaat uit Eén
Persoon en tegelijkertijd uit…? Katrijne
, verklaar mij eens?,
vorderde Pastoor Poncke
.
De maarte
rimpelde haar voorhoofd.
— Uit… uit…, dacht ze luid-op na, — drìe Personen.
— Pront
, knikte Pastoor Poncke
welgevallig. — En uit wèlke
Personen, Katrijne
?