bladzijde << 159 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

pas, dat ik ze niet voel. Feitelijk voel ik van alletwee mijne voeten niet veel. Verwonder u er niet over, dat de kweldroeskens ontkracht zijn geworden. Zijn zij niet kinderen der hitte, der hel? Waaruit men besluiten kan, dat te wintertij de duivel minder macht heeft dan anderszins en dat, hokten de boeren niet gedurig bij den haard, zij de hoogmis niet zoo schromelijk verzuimen en de pooverenwoord milder bedenken zouden. Mijn Vriend, we zijn er bijkanswoord.

Luttelwoord later reed Pastoor PonckePoncke het erf op van KrimpaertKrimpaert, halteerdewoord bij de deur, wrochtwoord zich van Socrates'Socrates rug, maande den ezel tot moed in de koude en tordwoord driest naarbinnen.

KrimpaertKrimpaert, de boer, zat voor den spokkerendenwoord haard gezeteld. Hij was alleen in het vertrek. Hij zat ietwat voorovergebogen, de handen tegaar tusschen de knieën. Hij was een klein, verneuteldwoord manneke met eeuwig rood-ontstoken oogleden. Zijn mond was toegenepen en lijkwoord een dunne streep. Hij droeg een blauwen kiel en een hooge klakwoord.

— God zege u!, zegde Pastoor PonckePoncke.

Traag draaide de boer het aangezicht in Pastoor Poncke'sPoncke richting, knikte zuur.

KrimpaertKrimpaert, ik kom mijne voeten efkes bij uwen haard steken. Ik schuif mij properwoord nevenswoord u. Het is niet voor lang. Ik peinsdewoord, op pad zijnde: ik zal een reize bij KrimpaertKrimpaert kijken, hoe hij het stelt. Zoo. Uw vuurke brandt alleszins aangenaam. Er branden niet overal zulke aangename vuurkes. Er zijn menschen, die het bar hebben op het moment, wie het, kort gesproken, slecht gaat. Koude en honger zijn kwalijkewoord dingen. Gij, boeren, zijt toch gelukkig te prijzen. Ik zie daar hespwoord en spek op uw balkrek, en saucijzen eraan gelijkwoord festoenenwoord. Tja, het woordeke „slecht” past niet op uwe lippen… Wat hèbt ge, KrimpaertKrimpaert, dat g'op eenmaal zoo kreunt…?

159
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl