bladzijde << 160 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— Ik ben krankwoord, steunde de boer en greep zich naar buik en borst tegelijk.

— Dat is leelijk, vriend, dat is leelijk… Waar mangelt het u, als ik u verzoeken mag?

— Oei, oei, en er komt geen einde aan. TrienelleTrienelle heeft mij gepapt en gepleisterd, maar 't baatwoord niemendalwoord. 't Muikertwoord overal (de boer blokte met zijn grijze oogen Pastoor PonckePoncke scheeflings aan en Pastoor PonckePoncke schouwdewoord òp hem vol meewaren). Oei!… Zoo krankwoord te moeten zijn. Mijn maag houdt niets. Er hangt lijkwoord een waas voor mijne oogvliezen. Ik ben alsaanwoord braakachtigwoord. Mijn kop duizelt mij en mijn gehoor weigert somtemetswoord. Als ik wil loopen, knikken mij de knieën van flauwte. Inwendig gloeit het mij van de koortse. 's Nachts slaap ik geen seconde van de kramp, hier en hier…

Terwijl de boer dof door lamenteerdewoord, had Pastoor PonckePoncke bedachtzaam de vingertoppen tegeneen gezet en bestaarde ze. Eindelijk rochtwoord de boer de tendenwoord. Er ontstond een stilte. Dan knikte Pastoor PonckePoncke bevestigend, bliktewoord den boer compassieuswoord aan en uittewoord rekkelijk:

— Tja…, gij zijt er triest aan toe…

Hij wachtte een wijlewoord, vervolgde op eenderen toon:

— Tja…, ge zoudt bijkanswoord Ons-Heer vannoode hebben… indien 't erger wordt, aarzel niet iemand te mijnent te zenden… Weêrom wachtte Pastoor PonckePoncke efkes, monsterde den zwijgenden boer, schudde droefgeestig het hoofd, hernam:

— Tja…, en besef ik het wèlwoord, dan zijt ge welhaast dood, ik kan zelfs zeggen, dat gij reeds gestorven zijt…Uw kranktewoord is mij bekend uit een der schrifturen van den Oosterschen heelmeester Averroeswiki… de wijze man doopte haar „Duizendkrankte”, doch betwijfelt het, of er eenig kruid voor gewassen is, al verklaart hij, dat… Hij noemt een middel, 'twelk mij ont-

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl