gaan is… een middel, waarin hij echter zelf luttel
betrouwen
heeft… Tja… Maar ik vermors mijnen tijd en ik mag
Socrates
niet te lang laten blauwbekken… Vriend, ik ga dus.
Ik merk, dat mijn bezoek u vermoeit. Nietwáár? En ik zal het
geschrift van dien oosterschen doktoor eens voor u openslaan;
een kranke
hulp bieden mag men niet verschuiven. Elke kerstene
is een man van bijstand. Zoo vergt
het Ons-Heer van ons. Vale(1)
,
en beterschap, vriend.
Pastoor Poncke
was, vertrekkensree, opgestaan en had de hand
bemoedigend den kranken
boer op den schouder gelegd. De boer
bewoog zich niet. : …Ja, peinsde
Pastoor Poncke
somber
luidop, — de duizendkrankte is 't. Alle symptomen zijn juist, hetgeen
een teeken is, dat gij niet liegt. Bijaldien
loog ìk niet, toen ik
Monseigneur van Brugge
eens verklaarde, dat de boeren van
mijne parochie
de prijzenswaardige eigenschap bezitten, nimmer
te liegen — hetwelk van de boeren van andere parochies
kwalijk
verluid
kan worden…
Pastoor Poncke
voelde den boer onrustig worden onder zijn
hand en hij monkelde
meesmuilend. Hierop slaakte hij een zucht
boordvol erbarmen en sprak zalvend en efkes met één oog
glurend naar het rijk beladen balkrek:
— Neen, de logen is u, boeren, volkomen vreemd. Daarom beklaag
ik u van ganscher
harte. Gij leeft en zijt tevens vrijwel
dood. Het verwondert mij geen korrel, dat ge de dagelijksche
spijzen
niet verteren kunt —, het zoude mij evenzoo gaan ware
ìk onderhevig aan de duizendkrankte. Hee, mijn vriend, ik bedenk
daar, hoe gij, zoo dicht u bij den dood bevindend, voorzeker
genegen zult zijn uw deel van de winter-ate
te jonnen
aan
hen, die hongeren in dezen tijd… Neen, luister, ik weet immers
dat gij mild van karakter zijt. Ge moet zoo rap
niet „Ja” willen
antwoorden. Gij zijt lijdend en dus dien ik rustig met u te spre-