bladzijde << 161 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

gaan is… een middel, waarin hij echter zelf luttelwoord betrouwen heeft… Tja… Maar ik vermors mijnen tijd en ik mag SocratesSocrates niet te lang laten blauwbekken… Vriend, ik ga dus. Ik merk, dat mijn bezoek u vermoeit. Nietwáár? En ik zal het geschrift van dien oosterschen doktoor eens voor u openslaan; een krankewoord hulp bieden mag men niet verschuiven. Elke kerstenewoord is een man van bijstand. Zoo vergtwoord het Ons-Heer van ons. Vale(1)spreuken, en beterschap, vriend.

Pastoor PonckePoncke was, vertrekkensree, opgestaan en had de hand bemoedigend den krankenwoord boer op den schouder gelegd. De boer bewoog zich niet. : …Ja, peinsdewoord Pastoor PonckePoncke somber luidop, — de duizendkrankte is 't. Alle symptomen zijn juist, hetgeen een teeken is, dat gij niet liegt. Bijaldienwoord loog ìk niet, toen ik Monseigneur van Bruggewiki eens verklaarde, dat de boeren van mijne parochiewoord de prijzenswaardige eigenschap bezitten, nimmer te liegen — hetwelk van de boeren van andere parochieswoord kwalijkwoord verluidwoord kan worden…

Pastoor PonckePoncke voelde den boer onrustig worden onder zijn hand en hij monkeldewoord meesmuilend. Hierop slaakte hij een zucht boordvol erbarmen en sprak zalvend en efkes met één oog glurend naar het rijk beladen balkrek:

— Neen, de logen is u, boeren, volkomen vreemd. Daarom beklaag ik u van ganscherwoord harte. Gij leeft en zijt tevens vrijwel dood. Het verwondert mij geen korrel, dat ge de dagelijksche spijzenwoord niet verteren kunt —, het zoude mij evenzoo gaan ware ìk onderhevig aan de duizendkrankte. Hee, mijn vriend, ik bedenk daar, hoe gij, zoo dicht u bij den dood bevindend, voorzeker genegen zult zijn uw deel van de winter-atewoord te jonnenwoord aan hen, die hongeren in dezen tijd… Neen, luister, ik weet immers dat gij mild van karakter zijt. Ge moet zoo rapwoord niet „Ja” willen antwoorden. Gij zijt lijdend en dus dien ik rustig met u te spre-

161
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl