ken. Gij wilt gaarne goeddoen, natuurlijk. maar ge moet u niet
te plots verheugen over de kans glorieuzer te zullen sterven dan
gij vóórdezen te verscheiden
meende. De duizendkrankte verdraagt
geen schokken. Ge zoudt eensslags dood op uw zate
kunnen
zitten. Neen, zwijg. Mat u niet af, bidde ik u. Laat mìj maar
aan het woord. Het woord is mijn stiel
. En ik ben een menschenkenner.
Laat mij betijen
en het zal u zijn alsof gij door mijn mond
u-zelve verneemt, de spraak van ùw wijd hart. Och, wat geldt u
thans nog uw deel van de winter-ate
? Niemendal
. Uwe voeten
staan in den dood. Zaak is het, den hemel te bereiken. Hoe slaagt
men daar beter in, dan door uwen medemensch aan den nood te
ontrukken! Gij weet immers het woord van den heiligen Augustijn
:
Ante fores Gehennae stat Misericordia, et nullum misericordem in illum mitti carcerem permittat
, hetwelk beduiden
wil, dat voor de hellepoort de Barmhartigheid staat teneinde
te verhinderen, dat een mild man in het helsch gevang belandt.
En zegde Ons-Heer niet: Zalig de barmhartigen, want hun
zal barmhartigheid geschiedden
! En: Gij zult uwen naaste liefhebben
gelijk
u-zelve




! Ei-lieve, gij zijt niet van het slag, dat bidt:
— Zilver, eleyson!1
Goud, eleyson!1
Zilver, verhoor ons! Goud,
verhoor ons! Goud, vader der menigte, erbarm u onzer! Goud,
soulaas der wereld, erbarm u onzer! Goud, almachtige, erbarm u
onzer! Tja, wat maalt gij dus om een paar aardsche goederen!…
Stil, mijn vriend. Laat de blijdschap niet te hoog in u òp slaan.
Uw hart is niet sterk. Nochtans ben ik van gedacht, dat uw offer
wel eens aan dit hart ten goede zoude kunnen komen, mits gij
matige blijdschap betracht. Het zou een soortement
van mirakel
zijn, maar mirakelen
zijn minder zeldzaam dan gij bevroedt
. Nu
ter zake geschreden. Uw winterpart, gij zijt geen gulzigaard bij
mijn weten, zullen wij soberkes uitmeten. Ik zie daar een baken
spek. Héé, het valt makkelijker een baken spek te helften dan