tig —, dooden op te wekken en levenden te dooden. Men kan dit
lid in dienst stellen van den afgrond en men kan het in dienst
stellen van Ons-Heer, hetwelk ik pleeg
. Ik ben zoo content
lijk
een kind. Spijtig, dat gij zoo lang in de kou moest toeven. Bedenk
evenwel, Socrates
, dat wij sámen knechten Gods zijn. Uw taak is
veelal, te beiden
op mijn komst of mij op uwen rug te doen
brevieren
. Elkendeen
dien op de hem meest geëigende manier.
God schonk ons mens sana in corpore sano.1
Wat wenschen wij
meerder? Geen duit, zeg ik u.
Hierna sloot Pastoor Poncke
den mond en Socrates
liep eigenwillig
wat druistiger
aan. Zoo betraden zij den tweede hof. Pas
taakten
Pastoor Poncke's
voeten op het erf, of, God-weet-waar-vandaan,
schoot, onheilspellend, blikkertandend
een enorme
hond op hem af. Met tegenwoordigheid van geest bukte Pastoor Poncke
naar een nabijen steen, teneinde
zich ermede tegen een,
volgens hem gewissen, aanval te verweren, en klemde zijne
vingeren om het wapen, dat echter niet van den bodem vrij te
willen scheen. Het zweet brak Pastoor Poncke
plotseling uit.
— Héé, siste hij nijdig bij zichzelve, — welk een onmogelijk hof,
waar men de steenen op den bodem vastlijmt en de honden los
laat loopen! Verwilderd blikte
hij rondom zich en dan weer op
den hond, die, op vier, vijf ellengten van hem vandaan, laag
gromde en binnen een paar tellen, doorschichtte
het Pastoor Poncke
,
zijn aarzeling zou hebben overwonnen. Entwat
van een
schietgebed ving bereids
in hem aan als
de hond, op den roep van
een logge stem, zijn plan varen liet en kwispelstaartend wendde.
Pastoor Poncke
verademde:
— Hee, Socrates
, boer en gebed hebben ons gered (en tot den uit
de veestallingen naderenden boer:) Danke, man. Ik voel mij lijk
weergekeerd uit de krochten van den Gehoefde.