bladzijde << 167 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— Kan zijn, vond de boer, die SchalleSchalle heette. — Maar de armen zijn zelve de schuld van hun armoe. Zij garen noch sparen.

— Zekerlijk, zekerlijk. Ziet gìj echter kans, van enkele stuiverkens loon te leven en daarbij nog de kous te bòl-kuiten?

— Kan zijn, herzegde de boer balsturigwoord. — Mijn vader verluiddewoord mij dagelijks: elk voor zichzelf en God voor ons allen.

— Dan kende hij den waren sloterwoord tot den rijkdom. Mijne armen kunnen nochtans niet bogen op zulk een wijzen vader — anders waren zij koningsboeren en geen daggelderswoord en eeuwige kromliggers. Doch laat ons nu stoppen met te kortswijlen. Uw belofte…

— Ik geheugwoord mij er niemendalwoord van…

— Uw belòfte…, hield Pastoor PonckePoncke taai aan.

— Goed. Een boterham heb ik met liefde voor u over. Een belofte aan ù is niet een belofte aan àllen, Mijn-Heer Pastoor. Ik heb te denken aan wijfwoord en kinderen. De tijden zijn er niet naar om…

— …zuiver op eigenbelang bedacht te zijn, vulde Pastoor PonckePoncke aan. — Een belofte aan een priester is heilig. En een paapwoord is gànsch zijn parochiewoord.

— Mijn-Heer Pastoor, gij kunt hoog, gij kunt laag springen… De heiligheid van die belofte is vereffend met een paar boterhammen. Heb ik méér beloofd, dan heb ik gezwetst.

Pastoor PonckePoncke werd kregel.

— Toen hebt ge niet gezwetst, thàns zwetst ge, boer SchalleSchalle! Gij moest u schamen! KrimpaertKrimpaert ginder is niet een van de grifste. Hij staat zelfs te boek als de vrekkigste boer uit de contreiwoord. En zie nu eens in de beide korven de geschenken van KrimpaertKrimpaert, geschenken pal uit een gesmolten hart: een bonk blank spek en vier vette saucijzen. Vivat(1)spreuken KrimpaertKrimpaert, roep ik. Maar gij, van wien ik waarlijk de blinkendste verwachtingen koesterde, gij ontpopt u

167
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl