— Kan zijn, vond de boer, die Schalle
heette. — Maar de armen
zijn zelve de schuld van hun armoe. Zij garen noch sparen.
— Zekerlijk, zekerlijk. Ziet gìj echter kans, van enkele stuiverkens loon te leven en daarbij nog de kous te bòl-kuiten?
— Kan zijn, herzegde de boer balsturig
. — Mijn vader verluidde
mij dagelijks: elk voor zichzelf en God voor ons allen.
— Dan kende hij den waren sloter
tot den rijkdom. Mijne armen
kunnen nochtans niet bogen op zulk een wijzen vader — anders
waren zij koningsboeren en geen daggelders
en eeuwige kromliggers.
Doch laat ons nu stoppen met te kortswijlen. Uw belofte…
— Ik geheug
mij er niemendal
van…
— Uw belòfte…, hield Pastoor Poncke
taai aan.
— Goed. Een boterham heb ik met liefde voor u over. Een belofte
aan ù is niet een belofte aan àllen, Mijn-Heer Pastoor. Ik
heb te denken aan wijf
en kinderen. De tijden zijn er niet naar
om…
— …zuiver op eigenbelang bedacht te zijn, vulde Pastoor Poncke
aan. — Een belofte aan een priester is heilig. En een paap
is gànsch zijn parochie
.
— Mijn-Heer Pastoor, gij kunt hoog, gij kunt laag springen… De heiligheid van die belofte is vereffend met een paar boterhammen. Heb ik méér beloofd, dan heb ik gezwetst.
Pastoor Poncke
werd kregel.
— Toen hebt ge niet gezwetst, thàns zwetst ge, boer Schalle
! Gij
moest u schamen! Krimpaert
ginder is niet een van de grifste.
Hij staat zelfs te boek als de vrekkigste boer uit de contrei
. En
zie nu eens in de beide korven de geschenken van Krimpaert
, geschenken
pal uit een gesmolten hart: een bonk blank spek en vier
vette saucijzen. Vivat(1)
Krimpaert
, roep ik. Maar gij, van wien ik
waarlijk de blinkendste verwachtingen koesterde, gij ontpopt u