bladzijde << 169 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Pastoor PonckePoncke wendde zich om.

— Gij zègt, mijn vriend…?, vraagde hij welwillend.

De dikke boer slikte eens en sprak schor:

— Dat was daarseffens niet zoo gemeend, ge begrijpt, Mijn-Heer Pastoor…

— Natúúrlijk, begrijp ik… Betaalde ik uwe jokkernij niet met de mijne? Het baalken tarwemeel bekomwoord ik morgen. De tien worsten, de hespwoord en het baken spek kunnen in mijne mandekens… Ik heb niet veel tijd. Bezorg mij snel uwe barmhartigheden — ik wacht.

De boer schreed binnenshuis met entwatwoord van moeheid over ganschwoord zijn postuur.

SocratesSocrates, zegde Pastoor PonckePoncke zacht, — de zege is ons. Ja, mijn Vriend, het is met paapwoord PonckePoncke voordeeliger te kauwen dan te klappenwoord. Wat zouden wij, Socrates-vriendSocrates, van ons priesterschap terecht brengen zonder tong? Vreemd, dat er geen poëten gevonden worden die hymnenwoord op de tong vervaardigen. De tong is een zwaard, ze splijt, rats, bakenen en worstfestoenenwoord door en puur haar bedreig alleen doet hespenwoord onswaart wandelen en builkens meel en maakt gemoederen van steen murw lijkwoord smoutwoord. Van smoutwoord getaaldwoord — op den volgenden hof gaan we naar smoutwoord delvenwoord, want stuiten zonder smeer glijden bezwaarlijk door den gorgel. En, SocratesSocrates, wij zijn lieden, die weten hoè hunnen tijd nuttig te besteden. Weshalve wij den gordelriem enger rijgen en het middagmaal verre van ons wijzen. Sint FranciscusFranciscus gaf niet voor niets exempelwoord — wat gìj?!

Pastoor PonckePoncke sprak niet verder. Over den drempel-arduinwoord der hofwoonstwoord beendewoord boer Schalle'sSchalle keetmaartewoord aan met op de armen de leeftocht. Achter haar tordwoord, duister, de boer.

Schóónwoord, mijn dochter, begroette Pastoor PonckePoncke de schonkige meid, — gij zoudt haast bezwijken, dunkt me. Ik zal u helpen.

169
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl