bladzijde << 173 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

voorzeker de hoofdman zijt… Of hèbt ge als overste geen macht…?

— Afblijven!, beval de rooversleider, in het weeke aangetast, bondig.

— Danke, vriend. Ge hebt er den breidelwoord in, bespeurwoord ik. Tucht is wijsheid. Ik kan zeggen, dat wij beidenwoord wijs zijn —, elk in den hem geëigende stielwoord. Nochtans, mijn vriend, ben ik een marodeurwoord gelijkwoord gij…

De één-oogige grijnsde.

— …gelijkwoord gij, voer Pastoor PonckePoncke welgevallig voort. — En betaamtwoord het kameraden elkander den oogst te betwisten? Neen, duizendmalen: neen. Zwijg, het woord is aan mìj. Gij zegdet het éérste, ik nu, het twééde. SocratesSocrates — dat is mijn ezel — een dier vol zachtmoedigheid, evenals ik — draag mìj en mijn roof naar Dammewiki. Ik heb namentlijk de boeren beroofd. Mijn vriend, vrienden: gìj hebt daar blijkelijk pistolen en ponjaardenwoord bij vannoode — mijn pistool en ponjaardwoord is simpel mijne tong — hetgeen ik bereidswoord uitlegde aan SocratesSocrates —. De spraak van mijn tong doemt gesprakigen tot sprakeloosheid. De boeren beefden vandaag onder het wapen mijns woords. Ik heb mijne schámelen binnen Dammewiki, weet ge! En opdracht van den Heer-God, mij om hun lot te bekommeren en te beijveren. 'Laas, ze verkeeren, mijn schamelen, in hachelijker toestand dan gij. Ik, als hun hoofdman, mocht dit niet langer dulden. Honger, vrienden, ge weet het misschien, is een onaangenaamheid — duivel en dood omdansen een hongerige. De boeren van het ommewoord nu vergaten het tweede der Tien Geboden (bedoeld is: het derde, zie recensie): pleegwoord barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij beminnen en Mijne geboden onderhouden…Exodus 20:6Deuteronomium 5:10 De boeren, vrienden, pleegdenwoord puur barmhartigheid aan zichzelve. Toen peinsdewoord ik: Paapwoord PonckePoncke, gord u aan ten heiligen roof, want gij vermoogtwoord het, 'laas niet gelijkwoord de Heer Jezus met vijf brooden

173
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl