die zich een helsche zweeragie
te bersten
lachte en op stònd was
geheeld. Ik ga.
Maar de één-oogige, alsaan
lachend, bleef hem het pad versperren
en wierp er tusschendoor uit:
— Prééken, prééken moet ge… Haha! Broers, de paap
moet
eerst een sermoen
leveren…
— Vriend, de Lieve Vrouwe rijst binnen Damme
.
— Neen. Ge vertrekt niet alvoor
gij een preek voor ons hebt afgestoken!,
vergde de hoofdrabauw
. — Broers, wat gij?
— Tja-a…, zegde Pastoor Poncke
gerekt, en naderhand van
her: — Tja-a… En tusschen beide „tja's” smeekte hij Ons-Heer
om vergiffenis: dat hij twee dingen kon doen — weigeren
of toestemmen… Heer-God, niet alle bloed is martelaarsbloed.
Ik kan mij verzetten en leven en goederen verliezen en ik
kan die schelmen een sermoen
schenken en mijne schamelen verrukken
met de gewonnen waren. Heer-God, ik verkies het
laatste!
— Vriend, ik zal sermoenen
, sprak hij willig.
— Wacht efkes, paap
. Wij wenschen niet door u gekapitteld
te
worden. Dieven roemen dieven…
Pastoor Poncke
zuchtte, sloeg de oogen ten hemel, vroeg den
hemel wederom vergiffenis, knikte.
— Koppen bloot, eischte hij.
De schelmen gehoorzaamde op een wenk van den één-oogige.
— Gij bekomt
uw sermoen
, hernam Pastoor Poncke
, — maar
ge taakt
met geen nagel aan mijne korven.
— Accoord, zegde de één-oogige.
— …en gij laat de boeren van het Damsche
met vree — ik
verwittig
u er buitendien
van: ze zijn gekend als vermaarde
schutters, met één kogel doorboren zij op twaalf pas pieken-aasblad
en zij, overtuigde ik mij, vormden van hun hoven wàre