bladzijde << 175 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

die zich een helsche zweeragiewoord te berstenwoord lachte en op stònd was geheeld. Ik ga.

Maar de één-oogige, alsaanwoord lachend, bleef hem het pad versperren en wierp er tusschendoor uit:

— Prééken, prééken moet ge… Haha! Broers, de paapwoord moet eerst een sermoenwoord leveren…

— Vriend, de Lieve Vrouwe rijst binnen Dammewiki.

— Neen. Ge vertrekt niet alvoorwoord gij een preek voor ons hebt afgestoken!, vergde de hoofdrabauwwoord. — Broers, wat gij?

— Tja-a…, zegde Pastoor PonckePoncke gerekt, en naderhand van her: — Tja-a… En tusschen beide „tja's” smeekte hij Ons-Heer om vergiffenis: dat hij twee dingen kon doen — weigeren of toestemmen… Heer-God, niet alle bloed is martelaarsbloed. Ik kan mij verzetten en leven en goederen verliezen en ik kan die schelmen een sermoenwoord schenken en mijne schamelen verrukken met de gewonnen waren. Heer-God, ik verkies het laatste!

— Vriend, ik zal sermoenenwoord, sprak hij willig.

— Wacht efkes, paapwoord. Wij wenschen niet door u gekapitteldwoord te worden. Dieven roemen dieven…

Pastoor PonckePoncke zuchtte, sloeg de oogen ten hemel, vroeg den hemel wederom vergiffenis, knikte.

— Koppen bloot, eischte hij.

De schelmen gehoorzaamde op een wenk van den één-oogige. — Gij bekomtwoord uw sermoenwoord, hernam Pastoor PonckePoncke, — maar ge taaktwoord met geen nagel aan mijne korven.

— Accoord, zegde de één-oogige.

— …en gij laat de boeren van het Damschewiki met vree — ik verwittigwoord u er buitendienwoord van: ze zijn gekend als vermaarde schutters, met één kogel doorboren zij op twaalf pas pieken-aasblad en zij, overtuigde ik mij, vormden van hun hoven wàre

175
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl