vesten
—, waarmede ik slechts verdietschen
wil, hoe het tamelijk
ongeraden is beleg te slaan en ik u menschlievend gezind ben, ofschoon
ik uw koente niet in twijfel trek —; nietwaar, gij verstaat
mij? Beproef dies
elders uw fortuin, bidde ik u…
— Accoord, wijl
gij het zijt, gaf de één-oogige toe.
— Danke. Gaan wij thans dichter bij uw vuur.
En zij deden het, schaapachtig, en lieten zich op-zijn-snijders
neêr
rondom de vlammen en beidden
Pastoor Poncke's
prediking.
— Welaan dan, ving Pastoor Poncke
aan. — Ho, ik heb nog
ééne geringe voorwaarde. Ik stemde erin toe u met rozen te bewerpen.
Zaagt
g' ooit rozen zònder doornen? Eén enkele duidelijke
doorn dient gij van mij te aanvaarden. Ik zal uwe doening
vergelijken met Ons-Heeren omwandeling op aarde en men heeft
Hèm duizend doornen niet gespaard. Dat eene duidelijk doornke
voor ù dus…
— Accoord, uitte
de één-oogige ongeduldig.
— Danke, vriend, ik begin.
En Pastoor Poncke
schraapte de keel en stak van wel, breedelijk
gebarend:
Pater sum, ergo cave. Qualis vita, finis ita. Furca vacua, et silva latronum plena.1
Uwe zonden hebt gij u op het aangezicht gemaald,
hetwelk van menig kersten
niet kan gezegd worden en,
vrienden, dit is een punt tot uw profijt. En uit oorzaak van dit
punt, schenkt de Heer-God mij oorlof
in groote beelden tot u te
spreken. Hoe diep heeft Ons-Heer geleden op deze wereld. Hij
had geen steen om zijn hoofd op neer te leggen
, en ù, gis ik, gaat
het niet veel onkwalijker
. Ons-Heer was een zwerver en ook gìj,
schijnt het mij, zìjt het. Hìj zwierf verzeld
door zijne Jongeren
— gìj handelt vrijwel gelijkelijk
, waar gij groepsgewijs ons Vlaan-
