bladzijde << 177 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

deren afketst. Hij schouwdewoord de pharizeeën ongaarne — zijt gìj liefhebbers van schijnheilige schriftgeleerden? Lijdzaam duldde Ons-Heer alle wanwederswoord, slagregen, donder en tempeestwoord — aan diergelijkewoord ongetijden zijt gìj eveneens blootgesteld. Barvoetswoord toog Ons-Heer over de banen — spijtswoord uw schoeisel kan men ù eveneens barvoetswoord heeten. Hìj bezat slechts één kleedJohannes 19:23 — draagt gìj mede niet ganschwoord uw kleerkaswoord op het lichaam? Zilver noch goud noemde Hij het Zìjne — kunt gìj-liên terecht stoefenwoord op zilver- en goudrijkdom? Hìj werd door Satan in verzoeking geworpenMatteus 4:3Lucas 4:13 — gìj zijt àlle dagen aan 's duivels verzoekingen onderhevig, och-arme! De Satan voerde Ons-Heer op eenen hoogen bergMatteus 4:8Lucas 4:5 — ik vermoed zoo, dat de Duivel ook ù bijwijlenwoord de hoogte in stuwt, per exempelwoord een boomkruin in, van waaruit gij het ommewoord afspiedenwoord kunt naar onnoozele reizigers. Ons-Heer wierdwoord door ontalligenwoord verachtMarcus 9:12 — verloopt het ù milder? Hij is door Judas verraden gewordenMatteus 26:25Marcus 14:43Lucas 22:48Johannes 13:21 — het eendere lot zal ook ù overkomen, daar één uit uw midden voor Judas spelen zal. Ons-Heer is gegrepenMatteus 26:50Marcus 14:53Lucas 22:54, geketendJohannes 18:12 en gekerkerdwoord geworden — bereidt u voor op hetzelfde. Ons-Heer werd genooptwoord AnasJohannes 18:13, KaiphasMatteus 26:57Johannes 18:24 en HerodesLucas 23:8 te woord te staan — ook gìj zult eenmaal den rechters bescheidwoord bieden. Met roedenwoord heeft men Hem gegeeseldMatteus 27:26Johannes 19:1 — met roedenwoord zult ook gìj, indien het niet reeds gebeurde, gestriemd worden. Hèm hing men aan den kruisgalg tusschen twee boosdoenersMatteus 27:38Marcus 15:27Lucas 23:33Johannes 19:18 — mijne priesterlijke fantazij spiegelt mij vóór, dat ook gìj in ongeveer het eender geval zult belanden. Hìj daalde ter helle af en is nadienwoord ten hemel opgevarenHandelingen 1:9 — gìj zult Hem hierin navolgen met dit verschil, dat gìj de hel niet verlaat, vermitswoord gìj gedoemd zijt bij de duìvelen te vertoeven en den òpperste der duivelen — tot wien u — bekeert gij u niet rapwoord — mogelijk spoedig, en voor alle eeuwigheid, verwijzen zal God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen!… Naar huis, SocratesSocrates!

177
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl