En Socrates
kwam naarstig in beweging als mistrouwde hij de
affaire een beetje. En Pastoor Poncke
, in den geest alsaan
de verbijsterde
tronies
der boeven schouwend
, monkelde
zelfgenoegzaam.
Geen moment rees er de vrees, dat de venten, zich bezinnend,
rijzen en hem alsnog berooven zouden. : — Socrates-vriend
,
wij zijn gered. Zie, dit was nu wat men benamen
mag
„heìlige ketterije”! Korte sermoenen
zijn altijd het hevigst. Wij
tijgen
in God Damme
waarts. Dum spiro, spero.1
Vooral wanneer
de hoop in Ons-Heer ankert.
En onverlet aan lijf en have bereikte Pastoor Poncke
Damme
en
ontlaadde Socrates
op den binnenhof van het Sint-Jan
sgasthuis.
En de nonnekes
kirrelden, gelijk
hij het voorzegde. En daarna
trok hij ter pastorij
, voederde Socrates
, ditmaal in het ongemeene,
en betrad Katrijne
heur
domein.
— Katrijne
, nu ben ik toch warelijk
moew, en mij hongert, mijn
dochter. Wat schaft er de pot?
— Wat kan men maken tegenwoordig?, bejegende Katrijne
haren meester bits
, — er is niets in huis, 't is àl bij vreemden gegaan…
— Katrijne
, Katrijne
!, misprees Pastoor Poncke
. — een
kerstinne taalt
niet in dezer voege. Wat schort er u toch. Ik kom
bìnnen. Gij groèt mij niet. Gij mòrt alleen. Gij moest mij eerder
proficiat wenschen! Manden vol vleesch bezorgde ik bij de
nonnekes
. Héé, gij zijt toch niet dul
, omdat ik niemendal
voor de
pastorij
behield, Katrijne
? Gij weet toch, mijn dochter, dat wij
geestelijken zijn! Geestelijke devooren
wegen zwaarder dan wereldsche…
Ge dunkt mij een luttel
zenuwachtig…
— Wie zou niet uit zijn lood raken als men u vertelt, dat in 't korte de wereld vergaat!
— Wat verluidt
ge me daar?