
Even onverhoeds als het wintertij bloed en aarde teisterde,
kwam de groote smelting en tastte men weldra den aantocht
der lente. Het volk herademde, lijk
eindelijk ontwaakt
uit een maredroom. De winterzaaite mocht verziekt
liggen in den akkerschoot, het gansche
jaar opterkwalijkst
uitvallen — men hoopte op het zomerzaad en sprak met nieuwe
stem en wist weder jokkernij uit te slaan. En kondde Pastoor Poncke
niet van den kansel
, dat Ons-Heer, navenant andere
streken, het Damsche
voor vele booze zaken had gevrijwaard?
De Dammenaren
golden God voorzeker nog Zijne devootste
kinderen, al kon men hen vooralsnog geen engelen roemen. Men
had van verwoestende krankten
, elders, vernomen, van ratten-
en muizenplagen en bloedige rooverijen. Dit al was het Damsche
met eenen wijden boog gepasseerd
en Pastoor Poncke
had er het
zijne aan gedaan. Nochtans zouden de Dammenaren
er wèl
aan
plegen
, krachtens hunne uitverkorenheid niet den hals te hoog te
rekken. Ootmoed betaamde
hun, thàns en ìmmer. God had den
voorbijen winter gebezigd, teneinde
elk schepsel te toonen, dat
Hìj de baas was en nìemand-el.
Het was Pastoor Poncke
zijnen regel, de breviergangen in den
buiten niet te hervatten alvorens
hij eigenoogs den terugkeer had
waargenomen van het nachtegaalzusterken, de zwaluw. De