bladzijde << 180 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

SOCRATESSocrates

Even onverhoeds als het wintertij bloed en aarde teisterde, kwam de groote smelting en tastte men weldra den aantocht der lente. Het volk herademde, lijkwoord eindelijk ontwaakt uit een maredroom. De winterzaaite mocht verziekt liggen in den akkerschoot, het ganschewoord jaar opterkwalijkstwoord uitvallen — men hoopte op het zomerzaad en sprak met nieuwe stem en wist weder jokkernij uit te slaan. En kondde Pastoor PonckePoncke niet van den kanselwoord, dat Ons-Heer, navenant andere streken, het Damschewiki voor vele booze zaken had gevrijwaard? De Dammenarenwiki golden God voorzeker nog Zijne devootstewoord kinderen, al kon men hen vooralsnog geen engelen roemen. Men had van verwoestende kranktenwoord, elders, vernomen, van ratten- en muizenplagen en bloedige rooverijen. Dit al was het Damschewiki met eenen wijden boog gepasseerdwoord en Pastoor PonckePoncke had er het zijne aan gedaan. Nochtans zouden de Dammenarenwiki er wèlwoord aan plegenwoord, krachtens hunne uitverkorenheid niet den hals te hoog te rekken. Ootmoed betaamdewoord hun, thàns en ìmmer. God had den voorbijen winter gebezigd, teneindewoord elk schepsel te toonen, dat Hìj de baas was en nìemand-el.

Het was Pastoor PonckePoncke zijnen regel, de breviergangen in den buiten niet te hervatten alvorenswoord hij eigenoogs den terugkeer had waargenomen van het nachtegaalzusterken, de zwaluw. De

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl