's Anderendaags
opgestaan, achtte hij zich een dwaze zelfkweller,
die de dingen al te hakig had opgenomen. Gewis, gister
gedroeg Socrates
zich ongedurig en dwars. Och, wie uwer zonder
zonden is, werpe… Nietwaar?
Na vroegmis en ate
, zadelde hij Socrates
en reed heen. Reed —
tot het den eigenzinnigen Socrates
beliefde weêrom Lots vrouw
uit te hangen, wat de totale verstramming belangde. En de breviering
mislukte van her schromelijk en Pastoor Poncke
rocht
er
ten lest
bijkans
in vertwijfeling over. Doch hij wist zich een
kamper
. Verbeten zich beheerschend, hield hij zich aan de in
hem opgewelde zinsnede: perpetus vincit, qui utitur clementia.1
Twee weken aaneen beoefdende hij gelijk
een goed kerstene
dulder
deze wijsheid praktijkelijk en pantserde zich tegen elk advijs
.
Op een nacht, klaar waak liggend, brak zijn manhaftigheid. Hij
werd heel treurig vanwege Socrates
. Nergens ontwaarde
hij uitkomst.
: …Socrates
, prevelde hij, — ge zijt Socrates
niet meer.
Ik ben diep bedroefd. Ik bestempel u als een apostaat
. Hoe zouden
wij nog kunnen accordeeren? De luyden zeggen: — Verkoop
hem. De grafmaker zegt het, en Katrijne
, en Pruyck
, en Jaak
en
zelfs de Baljuw
. Een afgrond gaapt thans tusschen u en mij en
mildheid noch gramte
bouwen een brug. Wanneer ik de mis celebreer
,
zijt gij daar plots gelijk
een beletsel. In den biechtstoel
dwaalt mijn brein 't ùwaart en de biechteling
taalt
in de ruimte.
Onder het sermoen
dient gìj u aan en ik struikel over mijn woorden,
en het brevieren
is een duivelsrit en gìj vertegenwoordigt den
Satan. Door ùw schuld, ùw schuld, voltooi ik steeds gebrekkiger
mijne priesterlijke taak. Het kan alzoo niet langer. God wil Zijne
volle maat. Al bloedt mijn hart, wij moeten scheiden. Ik ben
sterk. Morgen spreek ik u nader.
Pastoor Poncke
wentelde zich op de rechterzijde, schikte de