bladzijde << 193 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

eene degelijke vereffening. Geenerlei verwijt kan mij dan treffen, dunkt het mij.

Pastoor PonckePoncke verstomde, tuurde met meer belangstelling naar het landschap weerszijds.

Twee en een halve stondewoord waren vergleden aleerwoord zij de stad genaaktenwoord. Een eindweegs voor het eerste huis op stedegrond, leunde ruggelings aan een boom, een man, kennelijk van de orde der bedelaars, die zijn rijkdom aan munt becijferde, terwijl hij de geldstukken één na één in zijn voddigen vilthoed deed neertinkelen. :… Gèld, àlles ter wereld, 'laas, gaat om het geld!, dacht Pastoor PonckePoncke, den man bemerkend. Na efkes het hoofd gelicht te hebben, klauwde de bedelaar jachtig in den hoedbol en deed de munt met raptewoord in de zak van zijn jas verzwinden en frutselde kwansuiswoord wat aan de voering. :…Hij gaat mij vràgen, giste Pastoor PonckePoncke, — hetgeen hij evenwel gerust verzuimen kan, daar mijn beurs op de pastorijwoord verblijft —, anderszins schonk ik hem gaarne een sollekewoord

SocratesSocrates stapte voort, stond op een paar passen afstands van den bedelaar voor de zooveelste maal stil. …Héé, waarom juist nù?, meende Pastoor PonckePoncke. — Gij weet immers, SocratesSocrates, dat ik geen duit bij me draag?

Over den bedelaar scheen al het leed der wereld neergezegen. Zijn fletse oogen bliktenwoord Pastoor PonckePoncke verslagen aan en de hand met den hoed, welke hij uit-stak, beefde. En zijne stèm beefde alswoord hij zegde:

— Ach, Eerwaarde, de menschen zijn heden ten dage van ijzer. Ach, zie mij, ik…

— Zijt ge krankwoord, Vriend?

— Mij-zelve tel ik niet, neen. Maar mijn wijfwoord met zes bloeden van kìnderen… Om-de-liefde-Gods, Eerwaarde…!

193
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl