Pastoor Poncke
zag niet meer om. De ontmoeting had hem verfrischt.
Het doel der reis verwaasde…
— Dat was goed van u, Socrates-vriend
, prees hij, — goed van
u, tijdig den tocht voor te zetten. Mundus vult decipi1
— echter
niet wij! Wij hebben elkander altijd doorpeild
en… 'Laas,
Socrates
—, 'laas… Dubben wij er niet op. Het is falikant een
afscheid in tranen te doen baden, ofschoon… Tra-la-la-la-la!…
Daar tiegen
wij de vorstelijke stede van Brugge
binnen. Brugge
is schoon
, Socrates
; meerdere werven
bewonderdet gij haar
schoonheid. Eene vorstinne onder de steden van Euroop, mijn
Vriend! Het is buitengemeen
genot te dooleeren
langs hare grachten.
Zij is de volstrekte, De Vénus, met permissie van Ons-Heer
gezegd. Al te rap
rolt van de trap. Ons oogmerk
heeft geen
haast. Kiezen wij daarom een omweg, mijn Vriend. Zie de huizingen
couleurig
weerspiegeld in het grachtwater, de muren aangevreten
door water en wind — een wak wonen, mijns erachtens
,
maar niettemin excellent, daar eeuwen ademen uit elke voege.
Tja, waarom zoudt ge niet stille staan, hier ter stee
. Zwanen
roeien door het stille water, dat, spijtig genoeg, ietwat onaangenaam
riekt. Niets op aarde echter boogt op vlekkeloosheid —
ìk niet, gìj niet… Gìj niet, Socrates
. Ach… Dus ge wilt
weder voorwaarts. Mij wèl
. Het keien brugske òver. Zoo. Het
keien brugske àf. Zoo. Het verluidt
, dat deze brugskens van
romeinschen bouw zijn… Ik stuur u dit steegske in, wanneer
zulks u lust. Men bekijft
elkaar ginder, hoort ge? Een onvreedzame
doening
, Vriend Socrates
!
Socrates
liep het steegske door, hetwelk was van een dusdanige
smalte, dat, wanneer men beide armen wijd-uit spreidde, de
vingertoppen de tegenover elkander staande, scheef verzakte
huizingen
taakten
. En Pastoor Poncke
had inderdaad juist ge-