bladzijde << 198 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

zich om naar de verstomde wijven:) — Voor den BaljuwBaljuw, zeg ik —, voor den BaljuwBaljuw… Het is toch simpel. Hò! Gij trekt van her op een ongelegen moment aan het loopen, Vriend. Ik berust… Ach, hoe kunt ge zoo jachtig zijn thans…

Zij verlieten de steeg, volgden wederom een gracht, dweerschtenwoord een klein rond plein met een steenen pomp, kwamen bij den hoek van een straat, alwaar menschen dicht bijeentroppeldenwoord en op entwatwoord neerkeken.

— Er is daar iets gaande, SocratesSocrates. Dat is nu de stad. Warempel, gij maakt alweer een monument van u en mij — eene vereeuwiging op aarde, welke men roemruchte helden pas bij den dood op te richten pleegtwoord. En zijn wìj helden? Ik vrees ervoor, Vriend. Uw vereeuwigingen zijn mij volstrekt onaangenaam, want des Satans. Wat daar gáánde mag wezen? Zij zoeken entwatwoord, bevroedwoord ik. Allicht iets verloren… Maar alsdanwoord… hola, zíet gij het niet, mijn Vriend? Ziet gij dat mùntstuk niet, schuin zijlings van u, te linker… mijn blik taaktewoord het per toeval… Ik verlaat u zonder dralen.

En Pastoor PonckePoncke stond reeds op de aarde, bukte en greep de zilvermunt, die daarseffens in zijn oog flonkerde.

— Een baarlijkewoord florijn, SocratesSocrates! Men moet een dommaard zijn, zulk een stuk te laten vallen en terug te willen vinden op een falikant andere steewoord. Kom, wij zijn rechtschapen vinders.

SocratesSocrates bij den teugel leidend begaf Pastoor PonckePoncke zich naar de t'hoope staande halzenrekkende Bruggelingenwiki.

— Héé, sprak hij, — zoek niet verder, het is gevonden door mij. Triomfantelijk stak hij den florijn in de lucht.

Men besteedde hem geenerlei aandacht.

— Héé, zoek niet, hìer-zie!, herhaalde Pastoor PonckePoncke.

Een oude vent wendde zich tot hem, zegde haastig:

— Het mes. Zie. SarelSarel heeft het.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl