bladzijde << 199 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— Mès? Het belangt immers de munt!

De oude vent scheen hem niet te verstaan, rok den hals over den schouder van wie, vòòr hem, het gelijkelijkewoord deed… Héé, dacht Pastoor PonckePoncke, — het is niet vanwege den florijn. En hij liet het zilverstuk in zijn soutanezakwoord slippen.

— Mès?, richtte hij zich tot den ouden vent. — Wat ìs er met een mes, vriend?

Hij bekwamwoord geen antwoord. Doch een ander, eveneens een peekewoord, kwebbelde gedienstig uitleg:

— Wreed van de wereld, Mijn-Heer Pastoor, kom hier en ge schouwtwoord het mes. SarelSarel raapte het op. 't Stamt van dien leidekker, zegt SarelSarel.

— Leidekker?

— Ha, ge weet van niemendalwoord. Voor een halve stondewoord stuiktewoord er een leidekker van dat dak op de kasseienwoord, dood, met gekraakten wervel. Ze hebben hem op een berriewoord weggevoerd naar 't patersconvent in de Kruisslop. Och-arme, hij laat wijfwoord en twee schapen zonder uitzicht op de wereld. Stijf wreed, Mijn-Heer Pastoor. Kom dichter bij mijnen kop. Nu kunt ge 't treffelijkwoord waarnemen.

— Inderdaad, beaamde Pastoor PonckePoncke — een vlijmewoord puntige knijf.

— Ja 't, prontwoord, zegde het peekewoord. — Ge rijdt gij op 'nen ezel, Mijn-Heer Pastoor?

Gelijkwoord Onze Lieve Heer, knikte Pastoor PonckePoncke en op mijmerenden toon vervolgde hij: — Héé, ik mag er niet op peinzenwoord

— Wat vermeentwoord Mijn-Heer Pastoor?

— Op dat mes, huiverde Pastoor PonckePoncke, — De man had erin kunnen vallen… een geluk, dat hij eraan ontsnapte…

— Zeg zulks wèl, beaamde het ventje.

— Tja. Eh, mijn vriend, zijt ge sterk in de handen?

199
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl