bladzijde << 202 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

De slungel — zijn troniewoord had overeenkomst met een rattensnuit — frutselde vluchtig aan zijn hoedboord.

Schóónwoord, knikte de paapwoord van Dammewiki. — Eh… (hij pierdewoord den man vorschend in de pupillen), zoekt gij altemetswoord een ezel? 't Is te zeggen: om te kóópen?

— Neen-ik.

— Spijtig. Heel spijtig. Ge hadt u dezen kunnen aanschaffen, mijn SòcratesSocrates. Tja, daar sta ik weêr.

Er sprong leven in den vent en entwatwoord van gloed in diens oogen:

— Ge wilt uwen ezel van de hand doen?

— Ik wil zulks, beaamde Pastoor PonckePoncke. — Ik wil zulks, tot mijn leedwezen. Maar niemand hoort naar mij. Hoe eigenlijk verkoopt men zijn SocratesSocrates, weet gij het wellicht?

— Zekerlijk, uittewoord de vent rapwoord. — Laat het maar aan mij over, Eerwaarde. Efkes keuren.

Meteen draaide hij rond SocratesSocrates, stompte hier, tastte daar, bezichtigde op een stap afstands, onderzocht Socrates'Socrates gebit.

— Hij is niet van de prilste, Eerwaarde…

— Neen, zegde Pastoor PonckePoncke.

— Hij is op jaren.

— Ja, zegde Pastoor PonckePoncke en hij voelde zich vermoeid.

— Hoeveel verlangt gij ervoor?

— Twintig Hollandsche daalders, zegde Pastoor PonckePoncke mat.

— Teveel, achtte de man.

— De prijs is door JaakJaak de groenselierwoord geschat. Geen sollekewoord minder, zegde JaakJaak. Wij, priesters, zijn ook eenigermate kooplieden vriend. Niet voor niemendalwoord wikken wij het geweten onzer parochianenwoord.

— Dat zeg ik niet!, beweerde de vent rapwoord. Twintig…

— Zonder zadel en zonder verder tuig, wierp Pastoor PonckePoncke ertusschen. — Ik ben zinnens een anderen ezel te koopen. Ge

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl