wilt toch niet dat ik met mijne kwelduivelkens de mijlen heemwaarts
voetelings
meet?
— Zònder zadel, herzegde de vent, — en misschien maak ik nog een halven daalder meer.
— Die halve daalder is voor u.
— Accoord, sprak de man en greep naar den toom.
— Neen, patiëntie
, zegde Pastoor Poncke
. — Men verafscheidt
zich van een levensgezel niet zonder een woord uit de diepte der
ziel. Héé, Socrates-vriend
, ge hebt nog niet gegeten. Ge krijgt
mìjn rantsoen. Ik zoude geen brokske kunnen doorzwelgen.
(Pastoor Poncke
diepte een pakske boterhammen uit zijnen toog
,
maakt het open en bood Socrates
uit de hand een der stuiten,
door Katrijne
met schellekes
kaas belegd). Socrates
, voormaals
mijn kloekste kameraad, dit is de leste
daad welke ik jegens u vervul.
Ge lijdt blijkelijk honger. Ja, ge zijt steeds een lekkerbek geweest,
een Lucullus — gelijk
ik. Hier, de twééde. Laat z'u eveneens
smaken. Het is eenigszins uw galgemaal. Socrates
, Socrates
,
waartoe sloot g' uw hart voor mij en Ons-Heer? Hier, de derde.
Jaren van genegenheid jegens elkander hadden zich nog kunnen
aaneenschalmen
. Ik beklaag ù en beklaag mìj. Neen, het papier
is ijdel
, mijn Vriend, zie, het fladdert te gronde en ik klop de
kruimels van mijne handen. Thans is het ellendig moment aangebroken.
Ach, Socrates
! Duizend dingen zoude ik willen zeggen
en ik weet er geen één. Vaarwel, mijn Vriend! Cura ut valeat.1
Pastoor Poncke
wendde zich ruklings om vanwege de bewogenheid
en verwijderde zich. Er was een vreemd ruischen in zijn
hoofd en in zijn borst woog een zwaarte. alsaan
stiet
hij in het
gekriel tegen dezen en genen boer. Hij merkte het niet. Noch vernam
hij het rond-omme lawijt
. Allengs
vermeesterde hij zich.
Zijn mond vormde zich tot een verbeten streep. Een dienaar van