bladzijde << 203 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

wilt toch niet dat ik met mijne kwelduivelkens de mijlen heemwaartswoord voetelingswoord meet?

— Zònder zadel, herzegde de vent, — en misschien maak ik nog een halven daalder meer.

— Die halve daalder is voor u.

— Accoord, sprak de man en greep naar den toom.

— Neen, patiëntiewoord, zegde Pastoor PonckePoncke. — Men verafscheidtwoord zich van een levensgezel niet zonder een woord uit de diepte der ziel. Héé, Socrates-vriendSocrates, ge hebt nog niet gegeten. Ge krijgt mìjn rantsoen. Ik zoude geen brokske kunnen doorzwelgen. (Pastoor PonckePoncke diepte een pakske boterhammen uit zijnen toogwoord, maakt het open en bood SocratesSocrates uit de hand een der stuiten, door KatrijneKatrijne met schellekeswoord kaas belegd). SocratesSocrates, voormaals mijn kloekste kameraad, dit is de lestewoord daad welke ik jegens u vervul. Ge lijdt blijkelijk honger. Ja, ge zijt steeds een lekkerbek geweest, een Lucullus — gelijkwoord ik. Hier, de twééde. Laat z'u eveneens smaken. Het is eenigszins uw galgemaal. SocratesSocrates, SocratesSocrates, waartoe sloot g' uw hart voor mij en Ons-Heer? Hier, de derde. Jaren van genegenheid jegens elkander hadden zich nog kunnen aaneenschalmenwoord. Ik beklaag ù en beklaag mìj. Neen, het papier is ijdelwoord, mijn Vriend, zie, het fladdert te gronde en ik klop de kruimels van mijne handen. Thans is het ellendig moment aangebroken. Ach, SocratesSocrates! Duizend dingen zoude ik willen zeggen en ik weet er geen één. Vaarwel, mijn Vriend! Cura ut valeat.1spreuken

Pastoor PonckePoncke wendde zich ruklings om vanwege de bewogenheid en verwijderde zich. Er was een vreemd ruischen in zijn hoofd en in zijn borst woog een zwaarte. alsaanwoord stietwoord hij in het gekriel tegen dezen en genen boer. Hij merkte het niet. Noch vernam hij het rond-omme lawijtwoord. Allengswoord vermeesterde hij zich. Zijn mond vormde zich tot een verbeten streep. Een dienaar van

203
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl