bladzijde << 213 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

want in zijn verrukking heemdewoord, een zekere bewustheid. Namen kwamen hem — van Ruusbroecwiki, Thomas a Kempiswiki, Sint FranciscusFranciscus, Böhme en zij waren méde het ruischen, ruischen…

En de tijd stond stil.

De Eeuwigheid suiselde, ruiselde, goudgeele subtijl…

De werkelijkheid keerde — vermitswoord het dènken keerde: de bevreemding vanwege de waarheid, hoe koren per slot bróód was en de eigenaardigheid, dat brood rijmde op dood. En dan, God weet waarvandaan gekomen, vertoonde zich daar almeteenswoord de man met de bloote zichtwoord.

— Héé, zóó algelijk nìet!, riep Pastoor PonckePoncke en in zijn verschotwoord krabbelde hij schielijkwoord overeind.

— Dàg Mijn-Heer Pastoor, groette de pikker, de zichtwoord lichtend. Pastoor Poncke'sPoncke verrukking verijlde in het Nergens.

— Héé, zegde hij, — ik vermeendewoord warelijkwoord, dat gij mij afmaaien wildet!

— Gij zijt toch mijn vrucht niet, Mijn-Heer Pastoor…

— Ik wàs het, zegde Pastoor PonckePoncke ernstig. En òmziend naar SocratesSocrates: — Héé, waar is SocratesSocrates?

— Had g'uwen ezel bij u, Mijn-Heer Pastoor? (de pikker kwam tot bij hem, bukte) — Hier, uwen boek…

— Waar is SocratesSocrates?, verhaaldewoord Pastoor PonckePoncke. Daarseffens bevond hij zich bìj mij…

— Ik pikte al een poozewoord in uw buurt, Mijn-Heer Pastoor. Ik ontwaardewoord u, maar niet uwen ezel. Hij zal voorzeker ieverswoord bachtenwoord den dijk uithangen.

— Natuurlijk, natuurlijk is het dàt, beaamde Pastoor PonckePoncke en met den pikker beklom hij den dijk en voelde zijn duivelkens hunne taak naarstig hervatten.

— Níemendal, kondigde de pikker, het eerst op den dijk staande.

213
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl