want in zijn verrukking heemde
, een zekere bewustheid. Namen
kwamen hem — van Ruusbroec
, Thomas a Kempis
, Sint Franciscus
,
Böhme en zij waren méde het ruischen, ruischen…
En de tijd stond stil.
De Eeuwigheid suiselde, ruiselde, goudgeele subtijl…
De werkelijkheid keerde — vermits
het dènken keerde: de bevreemding
vanwege de waarheid, hoe koren per slot bróód was
en de eigenaardigheid, dat brood rijmde op dood. En dan, God
weet waarvandaan gekomen, vertoonde zich daar almeteens
de
man met de bloote zicht
.
— Héé, zóó algelijk nìet!, riep Pastoor Poncke
en in zijn verschot
krabbelde hij schielijk
overeind.
— Dàg Mijn-Heer Pastoor, groette de pikker, de zicht
lichtend.
Pastoor Poncke's
verrukking verijlde in het Nergens.
— Héé, zegde hij, — ik vermeende
warelijk
, dat gij mij afmaaien
wildet!
— Gij zijt toch mijn vrucht niet, Mijn-Heer Pastoor…
— Ik wàs het, zegde Pastoor Poncke
ernstig. En òmziend naar
Socrates
: — Héé, waar is Socrates
?
— Had g'uwen ezel bij u, Mijn-Heer Pastoor? (de pikker kwam tot bij hem, bukte) — Hier, uwen boek…
— Waar is Socrates
?, verhaalde
Pastoor Poncke
. Daarseffens
bevond hij zich bìj mij…
— Ik pikte al een pooze
in uw buurt, Mijn-Heer Pastoor. Ik
ontwaarde
u, maar niet uwen ezel. Hij zal voorzeker ievers
bachten
den dijk uithangen.
— Natuurlijk, natuurlijk is het dàt, beaamde Pastoor Poncke
en met den pikker beklom hij den dijk en voelde zijn duivelkens
hunne taak naarstig hervatten.
— Níemendal, kondigde de pikker, het eerst op den dijk staande.