bladzijde << 214 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Pastoor PonckePoncke, nevenswoord hem gekomen, schudde onthutst het hoofd:

— Geloofde ik in tooverije, ik zoude zeggen: hier is tooverij gepleegdwoord.

— Hij zal gestolen zijn, terwijl gij aan het dutten waart, Mijn-Heer Pastoor. Er dooleertwoord somtemetswoord alderleiwoord scheefwoord volk langs de baanwoord.

— Gij zègt… ?

— Gestòlen, Mijn-Heer Pastoor.

— Tja, uittewoord Pastoor PonckePoncke en ving te neuriën aan.

— Maar Mijn-Heer Pastoor, verweet de pikker, eerst waart g'uit den haak omtrent uwen ezel en nu zìngt ge. Men zingt toch niet, wanneer men zijnen ezel kwijt is!

— Héé, mijn vriend, wees Pastoor PonckePoncke naar de verwijderde dijkbocht, — achter den dijk, ginder, blijft mij nog een nagel hoop. Tref ik hem daar niet aan, dan zult ge mij, geloof mij, in groot treurnis zien.

Samen liepen zij zwijgend de bocht toe.

Na een wijlewoord sprak de pikker:

— Roèp eens, Mijn-Heer Pastoor, misschien antwoordt hij.

— Een uitmuntend gedacht, achtte Pastoor PonckePoncke halt houdend en zijn roep galmde: — SócratesSocrates!! SócratesSocrates!!

Entwatwoord lijkwoord een kort, dof, vibreerend gebrul bereikte hunne ooren.

— Hij ìs er, Mijn-Heer Pastoor, en ik trek weêrom aan het wrochtenwoord.

— Doe, bescheiddewoord Pastoor PonckePoncke. — En dànke. SocratesSocrates zou mijne stem uit duìzenden herkennen! Nochtans…

Met wijde passen tordwoord Pastoor PonckePoncke verder. Alswoord hij ter stee van SocratesSocrates kwam, stak deze juist zijnen kop boven den dijk en maakte blijkelijk aanstalten zich bij den meester te voegen.

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl