Wat nu, Katrijne
! Uw voorschoot neer! Ei, huilt ge, Katrijne
?
— Vannacht, hikte Katrijne
, — droomde ik, dat gij krank
waart… ik zie het wel, dat gij vermagert en Pruyck
zegt het, en
Corneel Caboor
zegt het en gansch
Damme
…
In Pastoor Poncke's
keel klokte een lach.
— Katrijne
, Katrijne
, ge doet mij lachen. Zeggen, Katrijne
,
vliegt over hillen en heggen. Zeggen is wind. Niemand heeft er
houvast aan. En droomen, Katrijne
, vliegt over bermen en boomen.
Het is insgelijks wind. Begoocheling. Bedrog. Ik voel mij
leven lijk
kwik en ik waardeer uw keuken gelijk
nimmer. Ik eet
minder. Héé, waartoe zou ik méér eten. Ben ik een gulzigaard?
Zegde ik niet steeds: O Sancta Sobrietas!1
? Ben ik niet een man
van matigheid? Vergat ik ooit de verwittiging
van den Heiligen Gregorius
:
dat er door gulzigheid velen zijn gestorven en nog
dagelijks sterven, niet enkel naar het lijf, doch ook naar de ziel!?
Neen, Katrijne
. Ho, hoe ik lachen moet! Spits uw brein, Katrijne
en pleeg
logica. Ha, het eene spruit simpel uit het andere voort.
Ik eet luttel
. Natùùrlijk eet ik luttel
. Immers heb ik mijne
lichaamsbewegingen beperkt, zijn de breviertochten
niet meer
zoo uitgebreid. Bijaldien
wierd
mij de maag minder nooddruftig,
volstaat zij met een geringer portie. Nietwaar? En dat van het
vermageren? Zaagt
ge mij ooit vetlijvig? Alle vet is weelde, en
weelde verderft den mensch. Wilt ge, dat ik verderf, Katrijne
?
Ik had altijd een hekel aan vette priesters. Vet verwijdert u van
Ons-Heer. Ik draag nog teveel vet, geloof mij. Ge zult mij nog
meer vermageren zien. Bekommer u er niet om. Ik voel mij elk
etmaal gezonder. En dan zoudt gij, Katrijne
, u muizenissen in den
kop roepen. Ge doet mij lachten, zeg ik u. Wat bekom
ik straks
op mijn avondbrood, mijn dochter? Ik heb goesting
in kaas. Kaas
verleent de maag kracht en bevordert den appetijt
.