Pastoor Poncke
immers toch een tien minuten verleên
het Raadhuis
had zien passeeren:
— Mijn Vriend, metterdaad brak ik ditmaal mijne ronde halverwege
af. Wat wìlt ge? Ge ziet een oud man voor u. Héé, de heele
ronde doen zoude mij al te bijster
vermoeien…
De Baljuw
lachte.
— Eerwaarde Vriend, gij zijt onverbeterlijk! Maar, in ernst, gij
hebt sedert de laatste maanden uiterlijk een nadeelige verandering
ondergaan. Neen, laat mij gewaren. Gij schijnt mij te kranken
.
Het is niet alleen mijne meening. De Baljuwin
denkt er evenzoo
over. Zij noemt het: een slepend lijden. Het heeft er waarachtig
veel van. Kortom, gij moest een doctoor raadplegen.
— Mijn Vriend, bescheidde
Pastoor Poncke
zakelijk, — ik ben
volkomen monter, en kraak-ijs is geen breekijs. En wat uw doctoor
belang: begeef u, bid ik u, naar het kerkhof aan den voet
Onzer-Lieve-Vrouwe. Bezie de graven en bezin u erop, hoe onder
elke hoop aarde en onder elken zerksteen een patiënt ligt van
heelmeesters. Vraag een eerlijk doctoorken naar zijnen oogst en
hij duidt u zonder aarzelen het kerkhof aan. Ik voor mij wil niet
anders zijn dan een patiënt van God. En nogmaals: ik ben monter.
Katrijne
is er brokken kwalijker
aan toe dan ik. Zij kermt waar
zij staat van de tandpijn. En haar kop ziet koortsrood. Heere,
mijn Vriend, als zij spondekrank
moet worden, geve God dat ìk
in háár plaats moge lijden. En, héé, monkelde
hij, — wanneer de
tijd opdaagt, dat ik sterven moet, geve God, dat zìj deze beslommering
van mij overneemt… Vale(1)
.
Gemeenlijk
looft men het vrouwvolk als de uitgelezenste pijnduldsters.
Katrijne
echter deed hierin haar kunne geen eer aan.
Geteisterd door tandpijn gelijk
nooit tevoor, verviel zij in „och's”
en „ach's” in alle toonaarden en onderbrak telkens de keuken-