bladzijde << 223 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Pastoor PonckePoncke immers toch een tien minuten verleênwoord het Raadhuis had zien passeeren:

— Mijn Vriend, metterdaad brak ik ditmaal mijne ronde halverwege af. Wat wìlt ge? Ge ziet een oud man voor u. Héé, de heele ronde doen zoude mij al te bijsterwoord vermoeien…

De BaljuwBaljuw lachte.

— Eerwaarde Vriend, gij zijt onverbeterlijk! Maar, in ernst, gij hebt sedert de laatste maanden uiterlijk een nadeelige verandering ondergaan. Neen, laat mij gewaren. Gij schijnt mij te krankenwoord. Het is niet alleen mijne meening. De BaljuwinBaljuwin denkt er evenzoo over. Zij noemt het: een slepend lijden. Het heeft er waarachtig veel van. Kortom, gij moest een doctoor raadplegen.

— Mijn Vriend, bescheiddewoord Pastoor PonckePoncke zakelijk, — ik ben volkomen monter, en kraak-ijs is geen breekijs. En wat uw doctoor belang: begeef u, bid ik u, naar het kerkhof aan den voet Onzer-Lieve-Vrouwe. Bezie de graven en bezin u erop, hoe onder elke hoop aarde en onder elken zerksteen een patiënt ligt van heelmeesters. Vraag een eerlijk doctoorken naar zijnen oogst en hij duidt u zonder aarzelen het kerkhof aan. Ik voor mij wil niet anders zijn dan een patiënt van God. En nogmaals: ik ben monter. KatrijneKatrijne is er brokken kwalijkerwoord aan toe dan ik. Zij kermt waar zij staat van de tandpijn. En haar kop ziet koortsrood. Heere, mijn Vriend, als zij spondekrankwoord moet worden, geve God dat ìk in háár plaats moge lijden. En, héé, monkeldewoord hij, — wanneer de tijd opdaagt, dat ik sterven moet, geve God, dat zìj deze beslommering van mij overneemt… Vale(1)spreuken.

Gemeenlijkwoord looft men het vrouwvolk als de uitgelezenste pijnduldsters. KatrijneKatrijne echter deed hierin haar kunne geen eer aan. Geteisterd door tandpijn gelijkwoord nooit tevoor, verviel zij in „och's” en „ach's” in alle toonaarden en onderbrak telkens de keuken-

223
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl