Den avond van dienzelfden dag verdiepte zich Pastoor Poncke
tot omtrent middernacht in de boeken. Toen hij zich naarboven
begeven had hield hij op den overloop naar zijn slaapkamer plots
den schred in. Uit de richting van Katrijne
heur
slaapvertrek bereikte
hem een gesmoord gejammer. Behoedzaam tord
hij tot aan
Katrijne
heur
deur en luisterde fel. Katrijne
litaneerde
warelijk
nog immer heure
„achs” en heure
„ochs”…
— Katrijne
, zijt gìj dat?, riep Pastoor Poncke
gedempt.
— Och-arme, mijn dochter, ge hebt zonder twijfel te karig
gebeden.
Gij badt toch, Katrijne
?
Katrijne
kloeg
en heur
sponde
kraakte.
— Katrijne
, hoe lijdt ge! Overmachtig op u is de duivel. Bid,
roep Ons-heer aan en de Moeder-Gods, en de Kwade
zal u verlaten.
Bid, ik gebied het u om uwe zielswille. Ik hoor op u toe,
mijn kind.
Katrijne
scheen aan het bidden te slaan temidden der tormenten
.
— Braaf, Katrijne
. Bid voort, rusteloos voort!
Katrijne
bad, klagelijk.
Pastoor Poncke
wachtte een geruime pooze
, riep dan:
— Helpt het al, Katrijne
?
Entwat
als een ontkenning volgde.
— Tja, mompelde Pastoor Poncke
. — Hm… Katrìjn!, verhief
zich zijn stem, — Katrìjne! Bid voort, alstublieft. Gebed
alleen echter is in dit geval niet voldoende. Terwijl gij bidt, ga
ik ijlings
naar Mijn-Heer Spiessens
en vraag hem een amfioenbolleke
.
Amfioen
komt uit het land van China, alwaar, bevroed
ik, schrikbarend geleden wordt aan de tanden. Hoe zouden de
chineeskens anders deze medicijn ontdekt hebben? Ik ga. Tot
seffens
, mijn kind.
Pastoor Poncke
daalde met de kaars de trap omneêr, zette in de