bladzijde << 227 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

gang het licht op de plavuizen, schoof de nachtgrendels uit de krammen, na den geduchtenwoord sloterwoord van den muur te hebben gehaakt en zijnen tikwoord te hebben opgezet, opende de deur en schreed den nacht in en den nevel.

Zwaar hing de smoor over de stede.

Het was alom zeer stil.

…Een weerken voor dieven en flericijnwoord, bevond Pastoor PonckePoncke, en hij rilde vanwege de kleffe kilte.

Hij monsterde de bijkanswoord ganschwoord versluierde huisgevels. Ho, hier heemdewoord de ApothecariusSpiessens

De klopper rammelde onder Pastoor Poncke'sPoncke hanteering.

Pastoor PonckePoncke wachtte, hoorde tevergeefs op eenig gerucht binnenshuis. De ApothecariusSpiessens sliep blijkelijk gelijkwoord een beerwoord te winter. Apothekers moesten er eigenlijk een hazeslaapke op na houden, krachtens hun stielwoord

Van her en gestaag nu lawijttewoord de klopper.

Niets. Mijn-Heer SpiessensSpiessens had warelijkwoord een goddeloozen slaap — zulks kwam door Voltairewiki

Driftiger alarmeerde Pastoor PonckePoncke, staakte plots de doeningwoord.

Boven zijn hoofd geschiedde er entwatwoord, wierdwoord, ja, een raam opgeschoven. Ons-Heer had gewonnen van Francois Marie Arouet, dacht Pastoor PonckePoncke grimmig.

En toen, boven zich, riedwoord hij, meer dan hij het, verdoezeld, ontwaardewoord, een mènschenhoofd — een hoofd waaraan iets bungelde, hetwelk hij Mijn-Heer SpiessensSpiessens slaapmuts schatte te zijn. Schóónwoord, nu kon hij zijn boodschap veropenlijken.

— 'Navond, 'navond, begon hij minzaam. En stokte — want Mijn-Heer SpiessensSpiessens' stem snerpte door de mist naar beneden:

— Wìe daar? (beiddewoord geen bescheidwoord en venijnde verder:) — Het verscheeltwoord mij geen duit, wie ge zijt! Kom morgen weder. Ik slááp, hoort ge? Ik slááp!

227
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl