bladzijde << 228 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Het hoofd en de muts van den ApothekerSpiessens verzwonden.

Het raam bonsde toe.

— Héé… !, uittewoord Pastoor PonckePoncke langgerekt, mompelde dan:

Verschooningwoord, verschooningwoord

En aanvaardde den terugweg.

Tjá…, mijmerde hij al gaande luid-op.

Even later stak hij den sloterwoord in het pastorijwoord-slot.

De kaars op de gangplavuizen brandde nog.

Hij grendelde de deur op het ontij en beklom de trap.

… Tjá.

Hij stond voor KatrijneKatrijne haar deur.

Hij tikte met den knokkel op het hout:

— Katrìjne!

KatrijneKatrijne bad voorzeker, hij hoorde haar murmelen.

— 'Laas, KatrijneKatrijne, ik ben niet geslaagd met den amfioenwoord. De ApothecariusSpiessens sliep. Ik hoorde hem droomen.

Het gemurmel leed voort…

— Katrìjne!…

…Héé, dat wàs geen bidgemurmel!

Hij bracht het oor dicht bij de deur.

— Héé, zegde hij tot zichzelve. — zij slaapt, warempel! Zij snurkt! Tja, het is schrander van haar! Slaap is de medicijn der medicijnen. Slaap is genade van God. Ik heb mede zucht naar slaap. goênnacht, KatrijneKatrijne.

En hij ging zich eveneens te slapen strekken.

En 's anderendaagswoord was KatrijneKatrijne genezen.

De dagen verguurden en onthieven Pastoor PonckePoncke, tot zijn geneuchtwoord, van de brevieringwoord buitenshuis. Een tijd van rust, vezelde hij zichzelve voor, zal mijne algeheele herstelling beteekenen. Ik ben uitgeput gelijkwoord een pyramide-slaaf ten tijde der pharaonen en

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl