bladzijde << 231 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— Ja, KatrijneKatrijne. De keizer wil immers het zijne?

— Een vischke 's Vrijdaags…

— Vischke?

— Ja, KatrijneKatrijne. Ook het vischke blijft. En mijn wijnken… Heere, men kan niet alles klakkeloos over boord smijten. Maar van zoogenaamde zware spijs, vleezen en diergelijkewoord, wil ik niemendalwoord weten. Niet dat ik ook u mijne onthouding opleg. Verre van daar. Gij smult gelijkwoord voorheen. Gij zijt PonckePoncke niet. Elkendeenwoord heeft nu eenmaal zijne bizondere devoorenwoord. MoorkeMoorke dreeltwoord u rond den rok, KatrijneKatrijne!

— Och-arme!

KatrijneKatrijne bukte heurwoord en greep het katerke en vertroetelde het:

— Mijn tjoefelkewoord, zijt ge van mijnen schoot gestuiktwoord en hebt g' u wee gedaan? Kom maar bij 't vrouwke, mijn weezeke! Een pluimke gewicht zijt gij, niemendalwoord meerder. Maar 't zal gebeteren, poezeke!

— Gij kent nu mijn spijskaart, KatrijneKatrijne?

— Ja't. …Och-arme, zoo verschopt te zijn, mijn dierke. Kende ik den wreedaard, ik zou hem krijgen!

— Danke, KatrijneKatrijne.

— Ja't, zegde KatrijneKatrijne, recht-rijzend. — Ik heb nog melkske voor u, mijn lieveke…

En met MoorkeMoorke weder hecht aan heurwoord hart verliet zij de boekerijwoord. Pastoor PonckePoncke wreef zich in de handen. Behendig had hij met het woord gelaveerd en KatrijneKatrijne in argeloosheid gelaten. MoorkeMoorke zou nog maanden haar aandacht op-vergenwoord en ondertusschen zou hij… Neen, hierover gezwegen. De geest is heerscher. De geest — begoochelde hij KatrijneKatrijne wezenlijkwoord? — is meester over alle lichamelijkheid. Waarom zou hij, PonckePoncke, géén ascesewoord betrachten? Ik ben asceetwoord, besloot hij.

En hierop nam hij bedachtzaam een snuifke.

231
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl