met de palmen — in het kwansuis
te donderen gelijk
in een waarachtig
sermoen
. Het was altijd een gekend feit geweest, dat zijn
stem dezen toets glorieus verduurde. Hij had zich danig ingespannen.
Doch Pruyck
verklaarde hem nadien
, geen woord te
hebben opgevangen, louter een dof lawijt
. Het verdroot hem en
van de de Onze-Lieve-Vrouwe begaf hij zich naar Socrates
en kloeg
Socrates
zijn leed: — Het is gedaan met mij, Socrates-vriend
.
Poncke
is Poncke
niet meer. Mijn priesterschap loopt tenden
.
Tja, wat zal men er aan veranderen, Socrates
? Niets. Niemendal
.
Sindsdien ontweek Pastoor Poncke
het samenzijn met Katrijne
zooveel mogelijk. Wanneer het niet te verhoeden bleek, gelijk
tijdens de morgen-ate
, babbelde hij voortdurend over Moorke
,
die snel groeide aan gewicht en grootte. Zoo hield hij Katrijne
argeloos — tot hij haar, een wintervoornoen
, voor het aanrecht
stillekens aan het schreemen
aantrof.
Hij trad op haar toe.
— Katrijne
, wat is dat nu met u. Ge schreemt
?
Katrijne
snikte.
— Waarom schreemt
ge, Katrijne
? Boos bericht bekomen
van
één uwer verwanten? Of entwat
met Moorke
? Of van her die
kies?
Katrijne
hoofdschudde.
— Tja, ik heb nu alles opgesomd, hetgeen als aanleiding betracht
zoude kunnen worden. Men schreemt
toch niet zoomaar,
Katrijne
? Spreek toch. Is 't — hm — om mij? Ja? Wat heb ik
dan misdreven? Niets? Spréék toch, Katrijne
.
De maarte
verzichtbaarde hem een weinig het wezen en zegde
gesmoord:
— Ik ben slècht…
— Slecht? Gìj, Katrijne
? Ik wilde dat ik zoo slecht was gelijk
gij, de hemel zoude mij gewis zijn.