bladzijde << 235 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

met de palmen — in het kwansuiswoord te donderen gelijkwoord in een waarachtig sermoenwoord. Het was altijd een gekend feit geweest, dat zijn stem dezen toets glorieus verduurde. Hij had zich danig ingespannen. Doch PruyckPruyck verklaarde hem nadienwoord, geen woord te hebben opgevangen, louter een dof lawijtwoord. Het verdroot hem en van de de Onze-Lieve-Vrouwe begaf hij zich naar SocratesSocrates en kloegwoord SocratesSocrates zijn leed: — Het is gedaan met mij, Socrates-vriendSocrates. PonckePoncke is PonckePoncke niet meer. Mijn priesterschap loopt tendenwoord. Tja, wat zal men er aan veranderen, SocratesSocrates? Niets. Niemendalwoord. Sindsdien ontweek Pastoor PonckePoncke het samenzijn met KatrijneKatrijne zooveel mogelijk. Wanneer het niet te verhoeden bleek, gelijkwoord tijdens de morgen-atewoord, babbelde hij voortdurend over MoorkeMoorke, die snel groeide aan gewicht en grootte. Zoo hield hij KatrijneKatrijne argeloos — tot hij haar, een wintervoornoenwoord, voor het aanrecht stillekens aan het schreemenwoord aantrof.

Hij trad op haar toe.

KatrijneKatrijne, wat is dat nu met u. Ge schreemtwoord?

KatrijneKatrijne snikte.

— Waarom schreemtwoord ge, KatrijneKatrijne? Boos bericht bekomenwoord van één uwer verwanten? Of entwatwoord met MoorkeMoorke? Of van her die kies?

KatrijneKatrijne hoofdschudde.

— Tja, ik heb nu alles opgesomd, hetgeen als aanleiding betracht zoude kunnen worden. Men schreemtwoord toch niet zoomaar, KatrijneKatrijne? Spreek toch. Is 't — hm — om mij? Ja? Wat heb ik dan misdreven? Niets? Spréék toch, KatrijneKatrijne.

De maartewoord verzichtbaarde hem een weinig het wezen en zegde gesmoord:

— Ik ben slècht…

— Slecht? Gìj, KatrijneKatrijne? Ik wilde dat ik zoo slecht was gelijkwoord gij, de hemel zoude mij gewis zijn.

235
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl