bladzijde << 239 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

PASTOOR PONCKE STERFT

Pastoor PonckePoncke zou vóór zijn verscheidenwoord zijne spondewoord niet verlaten. Hij wist zulks heel stellig, als het ware met entwatwoord lijkwoord een hoogere zekerheid. Hij verdookwoord het KatrijneKatrijne niet. Hij zegde haar:

Omnio caro foenum.spreuken Alle vleesch is hooi, KatrijneKatrijne. Ik lig hier stil-aan te sterven. Ho, verschiet niet. Ik rek het tot de zwaluwkens opdagen; dit is bijaldienwoord nog eenige maanden. Neen, geen ontsteltenis, bid ik u. Ik ben immers gereed voor den hemel. Daarom moet ge blij zijn, KatrijneKatrijne. Ziek, ik besefte het nimmer wèlwoord, waarom de menschen treurnis vertoonen, wanneer iemand van hunne naaste magen of vrienden — ik ben uw Vriend, KatrijneKatrijne — te sterven gaat, zoo te sterven gaat, dat hij of zij gewis kan wezen van Ons-Heeren volledigste genade. Alsdanwoord moest men, dunkt het mij, eerder een bescheidenwoord festijn aanrichten… Neen, Katrijne-kindKatrijne, ik wil geen tranen schouwenwoord zoolang ik aan het uitdooven ben — en evenmin naderhand. Weigert ge het mij nu te bewilligenwoord, dan zult ge mij gramwoord op u maken. Laat mij nu alleen, KatrijneKatrijne.

En alswoord KatrijneKatrijne de deur achter haar had gesloten, ondervond hij een gevoel van bevrijding en beveiliging. Men kan nooit genoeg alléén sterven. De wereld — en KatrijneKatrijne vertegenwoordigde haar per slot — had daar niemendalwoord mede noodig. Het was een kwestie

239
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl