bladzijde << 240 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

puur tusschen God en de ziel, die zinnens was hare ketenen te slaken. Sterven gold de innigste vorm van leven. In het uiterste verkeerend, leefde men stil, en geweldig — en wellicht mystieker dan de geestelijk opgetrokkenen, dan de extatici. Hier geen soortementwoord van kramp, doch enkellijk een wonderbaarlijk Zìjn. Sterven was schóónwoord, alleszins schóónwoord! En deze toestand leed bij hem, PonckePoncke, alsaanwoord voort, door uren, door dagen… De geluiden van de straat, het dokkerenwoord van een wagen, het speelschreeuwen van een kind — zij waren vèr geworden en nabìj tevens. En het luiden van de Onze Lieve Vrouwe verkeerde in een soortementwoord van licht zingen, de logte was eruit, de klanken vleugelden, verkregen overaardscheid. Het denken aan Dammewiki en de parochianenwoord en aan de Vrienden was geen denken meer, maar een droomend zich herinneren en dit deed u bijwijlenwoord blijde monkelenwoord.

Wie sterven, zijn zieners met de ziel — wanneer zij sterven gelijkwoord ik, achtte Pastoor PonckePoncke.

Eén geluid had hij kwalijkwoord kunnen verdragen: het lawijtwoord van den klopper. Het stóórde hem in zijn geleidelijk sterven en in zijn overpeinzingwoord. Het stamde lijkwoord van den duivel. Het randde hem kletterend aan. En daarom had KatrijneKatrijne den klopper moeten verwijderen. Wie weten wilde, hoe het met zijn kranktewoord gelegen was, kon door het moeshofpoortje de keuken en KatrijneKatrijne bereiken. En van bezoek aan zijn spondewoord wilde hij niets weten. Zelfs de Baljuw bekwamwoord geen toegang tot hem. : — Wanneer de ure naaktwoord om mij van mijne Vrienden te verafscheidenwoord, KatrijneKatrijne, zal ik hen verwittigenwoord.

Het speet hem slechts half — en hij bekende het zich een zonde —, dat niet langer hìj de missen in de Onze Lieve Vrouwe celebreerdewoord, maar Pater Medàrdus. Geduchtwoord echter verdriette het hem, dat Pater Medàrdus tot de orde van de Dominicanen be-

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl