puur tusschen God en de ziel, die zinnens was hare ketenen te
slaken. Sterven gold de innigste vorm van leven. In het uiterste
verkeerend, leefde men stil, en geweldig — en wellicht mystieker
dan de geestelijk opgetrokkenen, dan de extatici. Hier geen
soortement
van kramp, doch enkellijk een wonderbaarlijk Zìjn.
Sterven was schóón
, alleszins schóón
! En deze toestand leed bij
hem, Poncke
, alsaan
voort, door uren, door dagen… De geluiden
van de straat, het dokkeren
van een wagen, het speelschreeuwen
van een kind — zij waren vèr geworden en nabìj
tevens. En het luiden van de Onze Lieve Vrouwe verkeerde in
een soortement
van licht zingen, de logte was eruit, de klanken
vleugelden, verkregen overaardscheid. Het denken aan Damme
en de parochianen
en aan de Vrienden was geen denken meer,
maar een droomend zich herinneren en dit deed u bijwijlen
blijde
monkelen
.
Wie sterven, zijn zieners met de ziel — wanneer zij sterven gelijk
ik, achtte Pastoor Poncke
.
Eén geluid had hij kwalijk
kunnen verdragen: het lawijt
van den
klopper. Het stóórde hem in zijn geleidelijk sterven en in zijn
overpeinzing
. Het stamde lijk
van den duivel. Het randde hem
kletterend aan. En daarom had Katrijne
den klopper moeten verwijderen.
Wie weten wilde, hoe het met zijn krankte
gelegen was,
kon door het moeshofpoortje de keuken en Katrijne
bereiken. En
van bezoek aan zijn sponde
wilde hij niets weten. Zelfs de Baljuw
bekwam
geen toegang tot hem. : — Wanneer de ure naakt
om
mij van mijne Vrienden te verafscheiden
, Katrijne
, zal ik hen
verwittigen
.
Het speet hem slechts half — en hij bekende het zich een zonde
—, dat niet langer hìj de missen in de Onze Lieve Vrouwe celebreerde
,
maar Pater Medàrdus. Geducht
echter verdriette het
hem, dat Pater Medàrdus tot de orde van de Dominicanen be-