werven
bracht ik het te berde —, heelmeesters zijn halfmeesters.
Gij waant toch niet, dat men Gods raadsbesluit kan ontloopen?
— Dat niet, beaamde de Pater, — maar…
— Welnu dan! Het is Gods raadsbesluit, dat ik, in déze kamer,
op déze plaats, héé, levend te verhongeren lig. De maag groeit
mij dicht. Het mes van de chirurgijn
zou eraan te pas moeten
komen. Er zou een genie lijk
Boerhave van Holland voor vannoode
zijn teneinde
het vlijm
er in te zetten en mij dan nog twee
dagen te doen ademen. De maag is een broos punt. Usque adeone mori miserum est?1
Neen. Daarom: Dum licet obducta solvatur fronte senecus2
,
ook al telt het dum spiro, spero3
niet voor mij.
Mijn hoop heeft zich ganschelijk
naar de ziel verlegd — eene niet
te onderschatten verandering. Ik zegde: ganschelijk
. Een gezond
man is immers een gebondene aan de aarde, min of meer! Denk
op u-zelf. Niet dat ik u gispen
wil — maar gij zijt met den refter
uitnemend op de hoogte. En hier hebt ge meteen mijn grief jegens
u-liên Dominicanen. Gij betracht geen mate. Neen, láát mij het
woord. Ik kreeg intusschen van u al een gunstiger gedacht —
vermits
uwe ziel bloot uitschouwt
door uwe pupillen. Gij zoudt
een Franciscaan hebben kunnen zijn. Felleren lof kan ik u, dunkt
het mij, niet toebedeelen. Hier hebt ge mijn hand, mijn Vriend.
Zij is bijkans
doorschijnend, mijn hand. Neen, ge bezeert mij niet.
Danke.
Er ontstond een stilte.
Pastoor Poncke
staarde voor zich uit.
Pater Medardus
vingerde aan zijn lende-koord en hij pufte efkes
alsof hij het zwaar heet had.
Al glarend
zegde Pastoor Poncke
lijk
tot zichzelve:

.
