bladzijde << 245 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

wervenwoord bracht ik het te berde —, heelmeesters zijn halfmeesters. Gij waant toch niet, dat men Gods raadsbesluit kan ontloopen? — Dat niet, beaamde de Pater, — maar…

— Welnu dan! Het is Gods raadsbesluit, dat ik, in déze kamer, op déze plaats, héé, levend te verhongeren lig. De maag groeit mij dicht. Het mes van de chirurgijnwoord zou eraan te pas moeten komen. Er zou een genie lijkwoord Boerhave van Holland voor vannoode zijn teneindewoord het vlijmwoord er in te zetten en mij dan nog twee dagen te doen ademen. De maag is een broos punt. Usque adeone mori miserum est?1spreuken Neen. Daarom: Dum licet obducta solvatur fronte senecus2spreuken, ook al telt het dum spiro, spero3spreuken niet voor mij. Mijn hoop heeft zich ganschelijkwoord naar de ziel verlegd — eene niet te onderschatten verandering. Ik zegde: ganschelijkwoord. Een gezond man is immers een gebondene aan de aarde, min of meer! Denk op u-zelf. Niet dat ik u gispenwoord wil — maar gij zijt met den refterwoord uitnemend op de hoogte. En hier hebt ge meteen mijn grief jegens u-liên Dominicanen. Gij betracht geen mate. Neen, láát mij het woord. Ik kreeg intusschen van u al een gunstiger gedacht — vermitswoord uwe ziel bloot uitschouwtwoord door uwe pupillen. Gij zoudt een Franciscaan hebben kunnen zijn. Felleren lof kan ik u, dunkt het mij, niet toebedeelen. Hier hebt ge mijn hand, mijn Vriend. Zij is bijkanswoord doorschijnend, mijn hand. Neen, ge bezeert mij niet. Danke.

Er ontstond een stilte.

Pastoor PonckePoncke staarde voor zich uit.

Pater MedardusMedardus vingerde aan zijn lende-koord en hij pufte efkes alsof hij het zwaar heet had.

Al glarendwoord zegde Pastoor PonckePoncke lijkwoord tot zichzelve:

245
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl