bladzijde << 246 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

— Men kan zich geen schoonerewoord dagen droomen dan deze van den Adventwoord… dagen van fijn-zinnige meditatie… grootsche dagen…

Hij wendde het aangezicht naar Pater MedardusMedardus:

— Gij zijt dit met mij eens, bevroedwoord ik?

— Ja, zegde Pater MedardusMedardus gedempt.

— Ja, nam Pastoor PonckePoncke van hem over en zijn oogen gingen glanzen. — De Geboorte is iets ontzaggelijks… de Heer-God schept de aarde lijkwoord van her èn den mensch, vooral den mènsch, mijn Vriend! De erfschuld verijlt gelijkwoord rook… de witte gloed van het Kind wil onze zielen kuischwoord branden… de heilige Kans is gekomen… hosannah! 'Laas, het menschelijk schepsel heeft de klok hooren luiden, maar wist niet waar de klepel hing… : Goed, zegt de Heer-God, dan red Ik u willens-nillenswoord! Wederom: 'laas, mijn Vriend, de mensch wenschte niet gered te worden… de zonde lokt zoo schoonwoord… zij taaltwoord zoo zoet… Ach, het kuddeke kerstenenwoord zal altooswoord gering in getal zijn… idealisten zijn zeldzaam, nietwaar? Maar ìk ben een idealist, mijn waarde. En gij eveneens. Meen niet, dat ik mij thans vlekkeloos roem… héé, ge hebt KatrijneKatrijne maar naar mijne beide togen te vragen… er zitten daar rijkelijk smetten op… van bìnnen bij mij is het algelijk niet zoo hachelijk. Nochtans, roet is roet. Ik was een strop van een jongen in mijn jeugd: in boomen klauteren vanwege de vogelnesten en de eikes kapen, boogaardswoord plonderen tot schrik van de boeren — onrijpe appels zijn lekkerder dan rijpe, mijn Vriend! —, groote menschen plagen binstwoord zij noest aan het wrochtenwoord waren… Och, mogelijk hebt ook gij diergelijkewoord pertenwoord uitgehaald — en God deed het u subiet becijnzenwoord: met buikkramp, een gescheurde hoozewoord, een vlammenden oorklikker… Neen, daarin steekt de zonde niet. Maar ge wordt ouder, mondiger… Ge gaat zelfstandig aan het denken. Ge

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl