heid. Ik ben uiterst deemoedig. Ik betwijfel het niet, of de Heer-God
is bekwaam
met eene pink-beweging aan mijn spel slot te
maken. Zijn genade echter laat mij betijen
. Ik was Hem nimmer
een mokkende knecht. Met overgave diende ik Hem, Katrijne
.
Ik beschouw het als een soortement
van belooning, dat Hij mij
toestaat de lente te verbeiden
. Mijn begeerte wortelt geenszins in
zelfzucht. Verreizen als de volgelkens van het geluk gearriveerd
zijn, als de grassen zich vernieuwen en schuchter alle bloeiïngen
aanvangen
— het is symbòlisch verreizen, dochter Katrijne
.
Doodgaan gelijk
ik het verrichten wil — het heeft warm deel
aan de lente. Want ik zal zóó sterven, Katrijne
, dat men het méde
een ontbloeien benamen
moet. Zegdet gij mij gister niet, dat buiten
de groote dooi aan het gebeuren is? Ik hoor de goten loopen
en het geluid is mij muzijk. Ik bevind mij behaaglijker dan ooit.
Ik haak
naar de komst der zwaluws. Ik tel als het ware de stonden
af — gelijk
kinderen het plegen
in de weken voor Sint Nicolaas
,
maar niet eender ongeduldig. De wijsheid weet te wachten.
Ge peinst
toch niet, dat ik ijl-klap
uitsla, Katrijne
? Ik hoorde
een stonde
weêrom de Onze Lieve Vrouwe luiden. Wie ligt er
over-aarde, Katrijne
?
— Eene der Ruttaertgezusters
.
— Toch Roozeke
niet?, schrok Pastoor Poncke
.
— De oudste, zegde Katrijne
.
— Godlof, zuchtte Pastoor Poncke
. — God erbarme zich over
haar. Hoe is dat zoo gekomen?
— Een gerochtheid
, zegt Corneel
.
— De dood verschijnt lijk
een dief in den nacht. Ik ben content
dat hij Roozeke
met rust liet. Roozeke
is een braaf meiske. Van
Melanie
zoude ik zulks niet met de hand op het hart durven
zweren. Ik zal seffens
voor haar bidden. Nochtans vrees ik,
Katrijne-dochter
, dat zij er niet zonder felle schrobbering zal