vanaf zal komen en dat zij opterminst een kwart eeuw in den Voorhof
des Hemels (het vagevuur) zal moeten anti-chambreeren
. Gelukkig beduidt
een kwart eeuw in de eeuwigheid slechts een tel of wat — maar
toch nog lang genoeg om gildig te wroegen over uwe kwezelarijen
en na-ijver. Ho, ik zou bijkans
uit de biecht
spreken. Vergeef
het mij, Heer. Ge kunt gaan, Katrijne
. Danke.
Het werd Maartmaand.
Nu zouden de zwaluwkens, zon Pastoor Poncke
, langzamerhand,
ginder, in de Zuidersche landen, vergaderen, teneinde
den
tocht naar Vlaanderen onderling te beramen. In den geest zag
Pastoor Poncke
hen nevenseen
snoeren op de dakranden van
oriënten en hoorde hij hen twisten op het stuk van het vertrektijdstip.
Hier in Vlaanderen had de vriezing algeheel uit. De
wind woei uit een zuid-west, volgens Katrijne
, en ge voeldet de
zon duidelijk door uw vel bakelen
. Ei, wellicht wàren de zwaluws
reeds onderweg, zwermden zij boven de blauwe zee der middellanden.
Tja, en alsdan
zoude het maar enkele dagen meer lijden
eer Katrijne
hem de blij-mare
bracht.
— Nòg niets?, vraagde Pastoor Poncke
de maarte
telkens wanneer
zij op de kamer kwam.
En Katrijne's
ontkenning ontwrichtte hem niet. Het lag in het
vaste bestel der dingen, dat de zwaluws zich op zekeren uchtend
vertoonen zouden aan Katrijne
heur
oog. En ook Pruyck
en de
grafmaker waren door haar tot uitspieden
opgevorderd. En dat
hij zich al sneller te verzwakken wist, hij legde het zich ten beste
uit. Verzwakken was niet: zwichten. Hij zou het voorzeker uithouden.
En tegen het einde van lentemaand
boodschapte Katrijne
hem
op een uchtend:
— Ze zìjn er, Eerwaarde!