Pastoor Poncke
duwde zich overeind:
— Ge zegt, Katrijne
? Ha!
Uitgeput zeeg hij terug.
— Eerwaarde, wat ìs er, wordt gij niet wèl
?
— Er is mij niets, Katrijne-kind
. Uw bericht overstelpt mij een
weinig. 't Is subiet in orde. Blijf, en laat mij efkes bekomen
.
Pastoor Poncke
had de oogen gesloten. Hij ademde jachtig, herwon
de beheersching, monkelde
, opende de oogen, zegde zacht:
— Het is mij zeer loom te moede, Katrijne
. Niet in het rampzalige,
maar in het gelukkige. Het zal nu spoedig met mij voorbij
zijn. Ik zeg Horatius na: Age nunc, finis meorum annorum…1
Zijn stem wierd
luider:
— Katrijne
, ge moet, op drie ure te noen
, Mijn-Heer den Notarius Vercuyck
te mijnent ontbieden. Het is vanwege mijn
testament
. Neen, laat het u niet beroeren. Ik lééf nog, Katrijne-kind
—, ik lééf nog. Als ik weg ben, ga dan uw gang en lucht de
borst. Aan vrouwen is dit geoorloofd. Feminis lugere honestum, viribus meminisse.
Dat is, in betrek tot den dood: der vrouwen
gevoegt treurnis, den mannen herinnering. Hetgeen in het latijn
vervat is, is wet. De wet wil gehoorzaamd worden. Héé, ik word
vroolijk, Katrijne
. Het is bijkans
, alsof ik een tikkeltje teveel van
den wijn ingeladen heb. Een testament
is een djente
zaak. Het is
het besommen van uwe bezittingen, waarvan gij u wenscht te
ontdoen. Het is het breken van de laatste aarde-banden. Ge weet
u hemel-rijp geworden, nadien
. Zou men dan niet vroolijk worden?
Zend Pruyck
als bode, Katrijne
. Of den grafmaker. Zulks is
mij egaal. En wanneer Pruyck
of Corneel
zijn taak bij den
Notarius vervuld heeft, moet hij naar Mijn-Heeren de Schepene Fonteyne
,
Spiessens
en Koeckaert
gaan. Zij dienen te vier ure