bladzijde << 253 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

ik wist niet… ik wist niet… Verschooningwoord

Zijn houding versoepelde eenigermate en hij trad op de spondewoord toe, kuchte van her en sprak:

— Hoe vaart u, Eerwaarde?

— Héé, mijn Vriend, voor den wind wat de ziel belangt, en wat het lijf betreft — permintelijk het andersomme. Vandaar dat ik u riep. PonckePoncke blijft niet lang meer in uw midden. Quid sine pectore corpus?1spreuken Maar mijn geest is courageuswoord, mijn Vriend. Wanneer ik mijne handen van de sargiewoord licht, is het alsof ik een loggen boomtak moet verzeulen. Nochtans berust ik. Héé, wat kan ik anders doen dan berusten! Affaires gaan voor de minnewoord. Schuif de tafel wat dichter bij mij. Het spreken vermoeit me rapwoord. Vindt gij, dat ik helderwoord spreek?

— Merkwaardig helderwoord!, achtte Mijn-Heer VercuyckVercuyck.

helderwoord, doch niet zwaar luidelijk, nietwaar? Dat is de stem van den Dood. De Dood zou nooit een sermoenwoord afsteken. Ik ben van den Dood, mijn Vriend —, een geteekende, een verkorene, naar mijn ongewaagd bevroedenwoord. Danke. Veder en inkt staan vóór u. Ik zal u mijn testamenttestament dicteeren, al zal men op mijn schrijnwoord den sloterwoord niet moeten leggen. Poncke'sPoncke ponke heeft niet veel bediedwoord. Ik verheerlijk, met Franciscus van AssisieFranciscus, de armoe als heel heilig. Het oog van de naald zal mij vlot door-latenMatteus 19:24Marcus 10:25Lucas 18:25. Ik vang aan, mijn Vriend!

Mijn-Heer VercuyckVercuyck haalde omslachtig een grooten, breed omhoornden bril uit een geel-beenen doos, plantte hem boven den smallen neuswortel, schikte de haken achter de ooren, doopte de ganze-pen in den inkt, effende het maagdelijk papierblad en schraapte de keel en knikte:

— Ik ben vaardig tot de acte, Eerwaarde.

— Welaan dan. Tja, efkes zinnen; het is voor de eerste maal,

253
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl