ik wist niet… ik wist niet… Verschooning
…
Zijn houding versoepelde eenigermate en hij trad op de sponde
toe, kuchte van her en sprak:
— Hoe vaart u, Eerwaarde?
— Héé, mijn Vriend, voor den wind wat de ziel belangt, en wat
het lijf betreft — permintelijk het andersomme. Vandaar dat ik
u riep. Poncke
blijft niet lang meer in uw midden.
Quid sine pectore corpus?1
Maar mijn geest is courageus
, mijn Vriend.
Wanneer ik mijne handen van de sargie
licht, is het alsof ik een
loggen boomtak moet verzeulen. Nochtans berust ik. Héé, wat
kan ik anders doen dan berusten! Affaires gaan voor de minne
.
Schuif de tafel wat dichter bij mij. Het spreken vermoeit me rap
.
Vindt gij, dat ik helder
spreek?
— Merkwaardig helder
!, achtte Mijn-Heer Vercuyck
.
— helder
, doch niet zwaar luidelijk, nietwaar? Dat is de stem
van den Dood. De Dood zou nooit een sermoen
afsteken. Ik ben
van den Dood, mijn Vriend —, een geteekende, een verkorene,
naar mijn ongewaagd bevroeden
. Danke. Veder en inkt staan
vóór u. Ik zal u mijn testament
dicteeren, al zal men op mijn
schrijn
den sloter
niet moeten leggen. Poncke's
ponke heeft niet
veel bedied
. Ik verheerlijk, met Franciscus van Assisie
, de armoe
als heel heilig. Het oog van de naald zal mij vlot door-laten

. Ik
vang aan, mijn Vriend!
Mijn-Heer Vercuyck
haalde omslachtig een grooten, breed omhoornden
bril uit een geel-beenen doos, plantte hem boven den
smallen neuswortel, schikte de haken achter de ooren, doopte de
ganze-pen in den inkt, effende het maagdelijk papierblad en
schraapte de keel en knikte:
— Ik ben vaardig tot de acte, Eerwaarde.
— Welaan dan. Tja, efkes zinnen; het is voor de eerste maal,