dat ik testamenteer
. Ik zal traag dicteeren, mijn Vriend. Hoor
toe.
Ik, Poncke
, Benedictus, Pastoor binnen de Parochie
Damme
in Vlaanderen (hebt gij 't?), Bedienaar des Altaars in de Onze Lieve Vrouwe-kerk aldaar, zijnde krank
ten doode, maar niettemin
nuchter bij zinnen als wellicht nimmer tevoor en deshalve
in het
volledig bezit van mijn geheugen — ik geheug
mij mijn pastoraal
bedrijven tot in de fijnste bijzonderheden vanaf mijn eerste sermoen
tot mijn leste
, 'laas, mijn leste
! —, doe op heden vanuit
mijne sponde
mijn uitersten wil kennen en eisch, dat na mijnen
dood, de hieronder te openbaren schikkingen zonder hapering
worden uitgevoerd:
In primis(0)
, wat mijn stoffelijk hulsel betreft, men bedde het na
mijn afsterven in een ruw houten schrijn
na het mijne beide
soutanen
te hebben aangedaan, opdat de spreuk vervulde worde:
Omnia mea mecum porto.1
Item(2)
. Mijn graf worde gedekt met een naakten
, effen
zerksteen,
opdat de wandelaar mij gemelijk
passeere als lag het lichaam van
Benedictus Poncke
nìet daaronder, want wat is het lichaam eens
menschen? Aarde van de aarde en niemendal
meerder en niemendal
minder. En nimmer was ik per slot ijdeltuitig. — Hebt
gij 't? —
Mijn-Heer Vercuyck
hief het hoofd:
— Verschooning
, ik heb het. Het komt mij echter voor, Eerwaarde,
dat gij deze beschikking… hm… valschelijk
baseert.
Gij wenscht, dat uw graf niemands aandacht trekt. Op deze wijze
bereikt gij zulks — verschooning
— slechts lastig. Uw zerksteen
zal de eenige zijn zonder inscriptie. De wandelaar raakt hierover
in verbazing. Hij klampt den grafmaker aan en hij verneemt, dat
have draag ik met mij.