bladzijde << 254 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

dat ik testamenteertestament. Ik zal traag dicteeren, mijn Vriend. Hoor toe.

Ik, PonckePoncke, Benedictus, Pastoor binnen de Parochiewoord Dammewiki in Vlaanderen (hebt gij 't?), Bedienaar des Altaars in de Onze Lieve Vrouwe-kerk aldaar, zijnde krankwoord ten doode, maar niettemin nuchter bij zinnen als wellicht nimmer tevoor en deshalvewoord in het volledig bezit van mijn geheugen — ik geheugwoord mij mijn pastoraal bedrijven tot in de fijnste bijzonderheden vanaf mijn eerste sermoenwoord tot mijn lestewoord, 'laas, mijn lestewoord! —, doe op heden vanuit mijne spondewoord mijn uitersten wil kennen en eisch, dat na mijnen dood, de hieronder te openbaren schikkingen zonder hapering worden uitgevoerd:

In primis(0)spreuken, wat mijn stoffelijk hulsel betreft, men bedde het na mijn afsterven in een ruw houten schrijnwoord na het mijne beide soutanenwoord te hebben aangedaan, opdat de spreuk vervulde worde: Omnia mea mecum porto.1spreuken

Item(2)spreuken. Mijn graf worde gedekt met een naaktenwoord, effenwoord zerksteen, opdat de wandelaar mij gemelijkwoord passeere als lag het lichaam van Benedictus PonckePoncke nìet daaronder, want wat is het lichaam eens menschen? Aarde van de aarde en niemendalwoord meerder en niemendalwoord minder. En nimmer was ik per slot ijdeltuitig. — Hebt gij 't? —

Mijn-Heer VercuyckVercuyck hief het hoofd:

Verschooningwoord, ik heb het. Het komt mij echter voor, Eerwaarde, dat gij deze beschikking… hm… valschelijkwoord baseert. Gij wenscht, dat uw graf niemands aandacht trekt. Op deze wijze bereikt gij zulks — verschooningwoord — slechts lastig. Uw zerksteen zal de eenige zijn zonder inscriptie. De wandelaar raakt hierover in verbazing. Hij klampt den grafmaker aan en hij verneemt, dat

© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl