beneden, stamt van de overige Vrienden, van wie ik mij seffens
verafscheiden
wil — : …Ik schenk der Heilige Moederkerk —
hebt gij 't, Notarius? — …der Heilige Moederkerk niemendal
,
daar ik Haar reeds mijn gansche
leven gaf, hetgeen de Liefde
is waarvan Sint Paulus
spreekt.
Item. Ik geef mijne geliefde Parochianen
mijne innige groetenis
en de verzekering van mijn gebed voor hen, hierna, in het Rijk
der Eeuwigheid.
Dit is mijn uiterste wil, ten getuige waarvan mijne naamteekening
strekke, hieronder gedeponeerd op den — hoeveelsten hebben
wij, mijn Vriend? —
— Den drij
-en-twintigsten, zegde Mijn-Heer Vercuyck
.
— Alzoo: op den drij
-en-twintigste van Lente-maand
Anno Domini(1)
1786.
De veder gribberde over het papier.
— Gedáán, zegde Mijn-Heer Vercuyck
, en hij zaaide een handvolleken
fijn zand over het geschrevene en beidde
.
— Een schóón
testament
! Nietwaar, mijn Vriend? Gij vervaardigt
ze dusdanig niet elken dag…
— Neen… neen, antwoordde Mijn-Heer Vercuyck
verstrooid
en liet behendig het zand weêrom in het glazen potteke riezelen.
— Dróóg, keurde hij.
— Tja, sprak Pastoor Poncke
op mijmerenden toon, — tja, mijn
Vriend, ik heb zonderling gelééfd en ik stèrf zonderling en ik kan
het begrijpen, dat de Kerk zich een tikske voor mij schuwde.
Héé, ware ìk de kerk, ik beleed het eender standpunt.
Mijn-Heer Vercuyck
was opgerezen en bood met een hoofsch
gemeende nijging
Pastoor Poncke
het op de map rustend testament
ter onderteekening aan.
— Bij dìt streepke, alstublieft, Eerwaarde.
Moeizaam krabbelde Pastoor Poncke
zijn naam neder: