het morituri te salutant1
der Romeinsche gladiatoren toepasselijk.
Ik zeg: 'laas. Want ik heb gáárne geleefd, ik hield er zelfs
hartstòchtelijk aan. Ik was een groot minnaar voor den Heer,
van Damme
en Vlaanderen, en ik was diep erkentelijk voor de
genegenheid jegens mij van de Dammenaren
en voor uwe vriendschap.
Er moge zich, wat het laatste aangaat, al eens eene hapering
hebben voorgedaan — nietwaar Mijn-Heer Spiessens
? —,
maar wat zoude ons het licht zijn zonder de schaduw! En mede
in den hemel, vertrouw ik, zal het licht kenbaar blijken aan de
schaduw, al zullen er de contrasten minder scherpelijk schrijnen.
Ik verheug mij op den hemel, mijne Vrienden. Mijn-Heer Vercuyck
— het zal u niet ontsnapt zijn — op de vensterrichel staat
een bottel
bourgogne met vijf kelkskens
. Schenk de kelkskens
vol,
bidde ik u, uitgeweerd het mijne — ik wensch slechts voor de leus
bescheid
te doen, een volwaardige dronk is mij namentlijk te
machtig geworden.
Pastoor Poncke
verstilde.
Mijn-Heer Vercuyck
schònk, reikte allen hun glas.
Pastoor Poncke
tilde het zijne. Zijn gebaar was onzeker. En zijn
stem wankelde:
— Mijne Vrienden, dit is, gemeten met aardsche maat, een afscheid
voorgoed. De Dood waart door deze kamer — ook gìj
ervaart zulks. Mijn puike Vriend de Baljuw
zegde mij eens een
variant op de uitspraak van den filosoof Toxaris, een uitspraak
omtrent Solon en Athene: Viso Poncke
vidisti omnia0
: Hebt gij
Poncke
gezien dan hebt gij alles (te Damme
) gezien. De Baljuw
wilde te kennen geven, dat ik, Poncke
, Dàmme ben. Geestelijk
geredeneerd zal mèt mìj Damme
zijn ondergegaan. Met eenig
voorbehoud en zonder te willen ijdeltuiten, geloof ik, dat onze
Vriend de Baljuw
niet gansch
falikant mikte. Nietwaar? Danke