bladzijde << 261 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

voor uwe beaming. Teneindewoord Dammewiki nu te redden, heb ik gemeend te trachten mijn afwezigheid te herstellen door u in mijn testamenttestament te gedenken. Gij allen zult na mijn dood een voorwerp ontvangen, dat allengswoord vervuld is geworden van mijn geest, mijn sfeer. PonckePoncke mag in den loop der tijden bij velen in de vergetelheid raken, bij u zal dit niet zoo wezen. Het u door mij toegedacht voorwerp zal alle vergetelheid verhinderen tot heil van Dammewiki en — vergeef het mij — van u-zelf. Echter heb ik aan elk voorwerp een gebruiksaanwijzing of eene voorwaarde verbonden, maar het één noch het ander valt zwaar uit te voeren. Mijn-Heer VercuyckVercuyck kan u zulks getuigen. Nietwaar, Mijn-Heer VercuyckVercuyck? Danke. En thàns, Vrienden — ai, gij kijkt allen zoo sip, zelfs gìj, SchepeneFonteyne! Vrienden: tetrica sunt dissipanda jocularibus!spreuken Verdrijf de droefenis door opgeruimdheid. Ad fundum!0spreuken Bibe laete cum pastore tuo!1spreuken

Pastoor PonckePoncke had zijn glas hooger getild en de laatste woorden sprak hij eenigszins schril uit. En terwijl de Vrienden van den wijn teugdenwoord, daalde zijn hand met korte zwaaien, bijkanswoord gelijkwoord een herfstblad, en alswoord zijn hand de sargiewoord bereikte ontspanden zich zijne vingers rond den kelkvoetwoord en het glas kantelde zijlings in een dekenholte. Pastoor Poncke'sPoncke hoofd leek dieper in de peluwwoord te pressenwoord en hij lookwoord langzaam de oogen.

En toen sprak iemand in het vertrek — geen der vrienden wist, wie er sprak en wist tevens dat hij de spreker had kunnen zijn — het woord: dóód.

Pastoor PonckePoncke vernam het en de lijnen weerszijds zijn mond plooiden zich in een monkelingwoord en zijne oogleden kierden. En hij zegde:

— Héé, nòg niet, Vrienden —, nòg niet. …Valete(2)spreuken.

Hij sloot de oogen van her. Hij hoorde de Vrienden ondereen

261
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl