voor uwe beaming. Teneinde
Damme
nu te redden, heb ik gemeend
te trachten mijn afwezigheid te herstellen door u in mijn
testament
te gedenken. Gij allen zult na mijn dood een voorwerp
ontvangen, dat allengs
vervuld is geworden van mijn geest, mijn
sfeer. Poncke
mag in den loop der tijden bij velen in de vergetelheid
raken, bij u zal dit niet zoo wezen. Het u door mij toegedacht
voorwerp zal alle vergetelheid verhinderen tot heil van
Damme
en — vergeef het mij — van u-zelf. Echter heb ik aan
elk voorwerp een gebruiksaanwijzing of eene voorwaarde verbonden,
maar het één noch het ander valt zwaar uit te voeren.
Mijn-Heer Vercuyck
kan u zulks getuigen. Nietwaar, Mijn-Heer Vercuyck
?
Danke. En thàns, Vrienden — ai, gij kijkt allen zoo
sip, zelfs gìj, Schepene
! Vrienden: tetrica sunt dissipanda jocularibus!
Verdrijf de droefenis door opgeruimdheid. Ad fundum!0
Bibe laete cum pastore tuo!1
Pastoor Poncke
had zijn glas hooger getild en de laatste woorden
sprak hij eenigszins schril uit. En terwijl de Vrienden van den
wijn teugden
, daalde zijn hand met korte zwaaien, bijkans
gelijk
een herfstblad, en als
zijn hand de sargie
bereikte ontspanden
zich zijne vingers rond den kelkvoet
en het glas kantelde zijlings
in een dekenholte. Pastoor Poncke's
hoofd leek dieper in de
peluw
te pressen
en hij look
langzaam de oogen.
En toen sprak iemand in het vertrek — geen der vrienden wist, wie er sprak en wist tevens dat hij de spreker had kunnen zijn — het woord: dóód.
Pastoor Poncke
vernam het en de lijnen weerszijds zijn mond
plooiden zich in een monkeling
en zijne oogleden kierden. En hij
zegde:
— Héé, nòg niet, Vrienden —, nòg niet. …Valete(2)
.
Hij sloot de oogen van her. Hij hoorde de Vrienden ondereen
