fluisteren, hoorde hoe zij zich stilkens verwijderden. En daarna
wierd
alles heel vreemd met hem, of al wat aarde was wijd van
hem vandaan gleed. Hij besefte, waak te zijn en nochtans te droomen.
Beelden kwamen, werkelijk en onwerkelijk ineenen. Hij zag
lijk
een rechtstandig ovaal gat in een zwarten wand en in dit gat
verscheen de gedaante van Mieke Marol
en zij bewoog de lippen
en Pastoor Poncke
verstond hare zegging, hare konde
: — Mijn-Heer
Pastoor, het is hier héél goed! En Mieke
trad achteruit om
stee
te bieden aan Sanderken Teirlinck
. Sanderken
keek Pastoor Poncke
ernstig aan, maar niet verdrietig en ook hij zegde:
— Mijn-Heer Pastoor, het is hier héél goed! En Sanderken
trad
achteruit, verwaasde en het ovaal gat verwaasde en de wand
wierd
grijs, zilverig grijs. …Hola, dacht Pastoor Poncke
, dat
zijn rare visioenen! En hij ontschudde zich het eigenaardig gevoel,
dat hem overmande en opende moeizaam de oogen. …Tja,
dit was de kamer van de pastorij
en toch bleef entwat
de totale
herkenning stremmen. Het afscheid heeft mijn einde verhaast,
dacht hij —, de dood is resoluut aan mij begonnen… En: Niet
langer peinzen
, soesde hij —, niet langer peinzen
…
Hij lag en hij had de ondervinding, alsof hij zwévend en zwévend
roèrloos lag en buiten den tijd. Soms meende hij, dat Katrijne
de
kamer binnen tord
, heur
tot bìj hem begaf en dat zij hem iets
vraagde en dat hij heur
antwoordde: — Niets, Katrijne
—, heelegaar
niets… En dat hij haar eenmaal antwoordde: — De Baljuw
,
Katrijne
…
Och, dit kon alles waarheid, maar het kon evenzeer begoocheling
zijn. Doch op een moment schouwde
hij den Baljuw
inderdaad
en de Baljuw
legde zijn hand op de zijne, hij bemerkte het
duidelijk. Maar het moest toch reeds ver met hem, Benedict Poncke
,
gekomen zijn.
— Eerwaarde Vriend, zegde de Baljuw
.