…Tja, ditkeer was er geen twijfel aan. De Baljuw
wàs er. Nog
éénmaal, en voor het laatst, de áárde.
Het docht Pastoor Poncke
, dat hij zichzelf omhoogstuwde tegen
de peluw
en het docht hem, dat hij klaar
taalde
:
— Mijn Vriend, het loopt rap
met mij af… Denique coelum…1
Zie toe, hoe ik sterf… leer er van… mijn kruiske,
bidde ik u…
Iemand, een donkere gedaante — niet de Baljuw
—, wist hij, gaf
hem het glad, houten kruis in de handen. Hard verstrengelde hij
de vingeren errond, staarde erop, bad voor den eigen goeden
dood…
Er er was niets dan deze dood.
…Héé!, dacht Pastoor Poncke
plots. Hij zwijmelde en neep
de oogen toe, daar hij viel… víel…?
Het crucifix
helde naar zijlings over…
Pater Medardus
murmelde.
Pastoor Poncke
lag daar gelijk
een waarachtig kerkvorst, zoo
verheven streng en mild.