bladzijde << 263 >> van PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

…Tja, ditkeer was er geen twijfel aan. De BaljuwBaljuw wàs er. Nog éénmaal, en voor het laatst, de áárde.

Het docht Pastoor PonckePoncke, dat hij zichzelf omhoogstuwde tegen de peluwwoord en het docht hem, dat hij klaarwoord taaldewoord:

— Mijn Vriend, het loopt rapwoord met mij af… Denique coelum…1spreuken Zie toe, hoe ik sterf… leer er van… mijn kruiske, bidde ik u…

Iemand, een donkere gedaante — niet de BaljuwBaljuw —, wist hij, gaf hem het glad, houten kruis in de handen. Hard verstrengelde hij de vingeren errond, staarde erop, bad voor den eigen goeden dood…

Er er was niets dan deze dood.

…Héé!, dacht Pastoor PonckePoncke plots. Hij zwijmelde en neepwoord de oogen toe, daar hij viel… víel…?

Het crucifixwoord helde naar zijlings over…

De BaljuwBaljuw bekruistewoord zich.

Pater MedardusMedardus murmelde.

Pastoor PonckePoncke lag daar gelijkwoord een waarachtig kerkvorst, zoo verheven streng en mild.

263
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl