Corneel uit PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Pastoor PonckePoncke hervatte:

— Doch terzake, CorneelCorneel. Wanneer bewerkt gij mijnen bodem? — 't Is een zucht gereed, Mijn-Heer Pastoor. De aarde efkes effenen, het zaad erin… Een zucht, geloof mij.

— Ik vroeg u, wannéér gij zuchten zult!, zegde Pastoor PonckePoncke gestreng.

— Te noenwoord, na stondewoord van twee, Mijn-Heer Pastoor, zult ge mij te uwent zien met rijfwoord en zaad. Ziet ge mij niet, dan is 't dat ik dood ben, zwoer Corneel CaboorCorneel.

— Ik geloof u. Danke, CorneelCorneel.

(…)

(Pastoor PonckePoncke) ontsloot de kamerdeur en riep niet zonder bewogenheid:

— Katrìjne!

Hij wandelde overentweder tot de maartewoord heurwoord meldde. Zich vóór haar posteerend, zegde hij ernstig:

— De Dammenarenwiki worden gemeenlijkwoord oud, KatrijneKatrijne. Dit „gemeenlijkwoord” weert de uitzondering geenszins. De dood komt lijkwoord een dief in den nacht. KatrijneKatrijne, gij moet PruyckPruyck verwittigenwoord, onverwijldwoord te luiden over Corneel CaboorCorneel. Corneel CaboorCorneel is dood, KatrijneKatrijne.

— Ha-maar, zoo schielijkwoord, verschoot KatrijneKatrijne. — Ik zag hem deez uchtend met een kordewagenwoord.

— Ik zag hem eveneens, KatrijneKatrijne. Ik bevroedwoord: hij moet door een geraaktheid overvallen zijn…

— Maar, eerwaarde, gij hebt ge-noendutwoord. Hoe weet gij…

Pastoor PonckesPoncke blik ontmoette recht KatrijnesKatrijne en toch had KatrijneKatrijne, gelijkwoord zoo vaak, de gewaarwordingwoord alsof haar meester andere dingen schouwdewoord dan haar persoon. Pastoor PonckePoncke sprak:

KatrijneKatrijne, ik heb het bericht van den doode zelve.

— Heere…!, huiverde KatrijneKatrijne.

— Ja, zegde Pastoor PonckePoncke. — En repwoord u thans naar PruyckPruyck, Katrijne-dochterKatrijne. Tja, en wij zullen een anderen grafmaker moeten zoeken. Voorloopig zou PrùyckPruyck Corneel'sCorneel kuil kunnen uitdelvenwoord. Treurig, zulk een verscheidenwoord, want voor Ons-Heer is het te laat, KatrijneKatrijne. Over een stondewoord ga ik in zijn huizeke zien. Hij had zijne feilen, de grafmaker, doch al met al was hij een geloovige ziel, hetgeen hij aan zijn loon, hierna, merken zal. Spoed u, KatrijneKatrijne, wat mart gij nog?

KatrijneKatrijne vertrok. Luttelwoord tijds naderhand riep de doodsklok over de Damsche stede en snel verbreidde zich, bij eerste monde van Pastoor Poncke'sPoncke maartewoord, de vermoedelijke toedracht van 's grafmakers overlijden.

KatrijneKatrijne wrochtwoord in de keuken alswoord zij voor den tweede keer en zéér geweldig verschoot. Want door Pastoor Poncke'sPoncke hof beendewoord daar Corneel CaboorCorneel aan. KatrijneKatrijne gaf een gesmoorde kreswoord. Met beide handen greep ze naar heurwoord hart. Haar leden wierdwoord haar lijkwoord lood. Gestorvenen plegenwoord niet te verrijzen dan als spook, en bij voorliefde te middernacht. De schim van Corneel CaboorCorneel echter stapte met drift op KatrijneKatrijne heurwoord keuken aan en ge hoordet zijne kloefenwoord dompen op de aarde.

— Ah, KatrijneKatrijne, of uw pastoor zòtwoord is geworden met mijnen dood te verspreiden?, uittewoord de gebochelde fel.

— Wèg! Wèg!, gebaarde de maartewoord.

— Ik vraag, of uw pastoor zòt is geworden!, herhaalde CorneelCorneel wild. En dan snerpte hij: — Ha, ge peinstwoord gij, KatrijneKatrijne, dat ik 'ne geest ben, maar voel mijn vleeschke: het is zoo pakbaar lijkwoord dat van u. Duizend graven graaf ik nog voor mijnen dood, wellicht ook het uwe. Dood! Ik, dóód? Waar zit uw pastoor, vraag ik u?

— In… de… boe…kerij…woord, beefde KatrijneKatrijne. — Ge zijt niet dood, CorneelCorneel?

— Neen, beet de grafmaker en zonder zijne kloefenwoord uit te doen bonkeldewoord hij langs KatrijneKatrijne ter boekerijwoord, klopte met den knokkel op het deurhout, tordwoord binnen.

Pastoor PonckePoncke stond met een hand aan de lange kin zinnend aan het venster. De hand ging neêr.

CorneelCorneel, gìj?, loste hij.

CorneelCorneel — ja-ik, bevestigde de grafmaker een paar schreden naderbijkomend. — Wat zijn dat voor een manieren voor een geestelijke, te kondenwoord, dat ik in lijke lig…!

— Gij waart nìet dood, CorneelCorneel? Gij hebt mij toch zelve gezegd, dat gij dood waart, wanneer gij u niet op mijn veld liet schouwenwoord? CorneelCorneel, gij hebt mij bijaldienwoord belogen? Dat is niet schoonwoord van u…

— Het was slechts bij wijze van spreken, Mijn-Heer Pastoor, antwoordde de grafmaker beduisdwoord.

— Ik gelóófde u, verweet Pastoor PonckePoncke, ik gelóófde u. Ik bespeurdewoord u na tweeslag niet op mijn terrein en wist: CorneelCorneel is dood. Zulks is simpel.

(bladzijde 41/45-48)
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl