Doorboring uit PASTOOR PONCKE, een boek van Jan H. Eekhout

Nauwelijks was hij in de duisternis neergelegen (…) of hij verbeeldde zich, een verdacht morrelend lawijtwoord te hooren, buiten, aan de achterzijde der pastorijwoord entwaarwoord. (…) Hij dacht, onduidelijk, aan dieven en de hennen en den haan PieterPieter. Hij gleed de spondewoord uit en liep behoedzaam blootvoeteling naar het opgeschoven venster en spieddewoord den maanloozen nacht in. Hij werd korzelig op zichzelve en gisptewoord zich in den geest: … Ben ik nu, warempel, lijkwoord de ridder van de Mancha geworden om op niemendalwoord af te sluipen en mij te laten verschalken door een valschenwoord gehoorsindruk? De hof is de hof van al nachten, mijn pluimvee dommelt gezapig op stok en er schuurt wat wind langs de schuttingen. Ei, daar is het toch weêrom… het zal een losse plank zijn, het… Wat beweegt daar bij het kiekenkotwoord? Heere, daar stáát iemand… een dief, een vent, die het voorzeker op mijnen PieterPieter gemunt heeft! Hij houdt zich koest, misschien snuift hij onraad… Wacht, mijn vriend, voor dieven ben ik onverbiddelijk. Het achtste Gebod is heilig en wet. Wee den wetsovertreder, vriendschap!

En Pastoor PonckePoncke greep boog en pijl uit den vlak nabijen kamerhoek, zette den schichtwoord op, knielde, spànde en mikte grimmig op den snoodaard. Hij liet los en de pijl snorde den hof in, secuur het doel tegen, vertrouwde de schutter. Ha-ha, en hij tròf, dat was gewis. Er was ineenen geen spoor meer van hem waar te nemen? Gevallen? Waarschijnlijk, want hij had een licht gerucht gehoord, een soort plof. Dood? Welneen. De pijl bezat geen punt. De stoot had den dief ontsteld en hij zou verder wel maken, dat hij van zijn, Poncke'sPoncke, gebied kwam.

— Dat hebt ge ervan!, riep Pastoor PonckePoncke verbolgen in den hof. — Schaam u, een arme geestelijke te berooven! Ik heb u herkènd, verstaat ge, en gij zult zulks nader nog gewaarwordenwoord! Wat peìnstwoord ge wel!

En zijn gramtewoord aldus gelucht hebbende, plaatste Pastoor PonckePoncke zijn wapen terug in den hoek en trok voor de tweede maal te bedde en sliep tot Pieter de ConinckPieter hem wekte met groot geschal. Hij soesde nog een tijdeke na en réés pas alswoord PieterPieter zijn tweede reveille klaroende.

Beneden vond hij de keuken ijdelwoord, maar den moeshof inschouwendwoord, zag hij er KatrijneKatrijne donker komen aantertenwoord met over haren arm de gereinigde soutanewoord. Hij wilde bereidswoord aanvangenwoord met KatrijneKatrijne marewoord te bieden van zijn jacht op den dief van dien nacht, alswoord KatrijneKatrijne, hem bemerkend, van onder den toogwoord een pijl haalde en hem deze niet onboosaardig toonde. De jacht verwierdwoord tot entwatwoord schemerigs en een vermoeden steeg en groeide tot een onbehaaglijke feitelijkheid. Maar Pastoor PonckePoncke kuchte eens, kuchte de feitelijkheid in het Nergens en het andere op de tong, gebaarde fierheid en sprak:

— Ha, KatrijneKatrijne, ge hebt den pijl gevonden, welken ik deez' nacht afschoot op een dief! Schóónwoord. Dànke.

— Dief?, smaalde de maartewoord. — En dàt dan? Hier, het schot is dwars door uwen toogwoord gegaan. Twee klinken! In de achterste klink is de pijl blijven haperenwoord. Díef? Zegt gij niet steeds, dat er binnen Dammewiki geen dieven zijn? Zonde voor God. Zulke klinken vallen niet weg te repareeren. Uw toogwoord is bedorven. Gij hebt op uwen toogwoord geschoten.

— Tja, knikte Pastoor PonckePoncke, ineenen voor de schrelle waarheid gesteld. — Tja, het heeft er veel van dat gij het bij 't rechte hebt, KatrijneKatrijne… Geef mij den schichtwoord eens over, ik bevat niet, hoe… Ai-mij, ik heb een kapotte pijl opgelegd, eene zonder knop… het hout is hier puntig, gelijkwoord ge ziet. Lijkwoord een dief in den nacht komt de dood. Loven wij God, Katrijne-dochterKatrijne. Zie, ik zucht van geluk.

— Uw toogwoord verramponeerdwoord, dat noemt gij geluk? Maria-Jozef, het is om te weenen!

— Bedaar, Katrijne-kindKatrijne. Acht eens op het koppel klinkscheuren. Pal door de hartstreek. Hadde ik den toogwoord aan het lijf gehad, ik ware dóód geweest…

(bladzijde 125-127)

Dit verhaal is overgenomen uit de grote schat aan Hodjawiki-verhalen:
© 1998-2010 bewonderaar@pastoorponcke.nl